maandag 8 juni 2009

Belgische "eerste" hoort niet bij graf Van Wilderode


Hoe ver het kan gaan, dat ontbreken en zelfs tegenwerken van de al zo zwakke Vlaams-nationale, volkse fierheid in dit landje...! Die broodnodige fierheid meldde ook al "afwezig" in het Anton van Wilderode- herdenkingscomité in zijn geboortedorp Moerbeke-Waas, toen dat enige tijd geleden besliste om niemand anders dan de... belgische premier Herman van Rompuy als spreker uit te nodigen bij het graf van de radicaal Vlaamsgezinde en wezenlijk anti-belgische dichter (tijdens de herdenking op zondag 28 juni e.k.), geboortedag van de poëet!! Waar halen ze het?, denkt zowat elk rechtgeaard mens. Algemeen menselijk en enigszins literair-historisch bekeken schijnt deze Van Rompuy wel enige bewondering voor de grote dichter, vertaler en literatuurkenner van Europees niveau aan de dag te leggen. Maar nu de man verleden jaar uit de oude kast werd gehaald om het al zo lang zieltogende, volksvreemde en Fransgezinde landje te "redden" is het absoluut absurd en provocerend voor elke bewuste Vlaming en zeker voor elke nationalist!! Een mogelijke verklaring dringt zich hier op: daar het provinciebestuur van Oost-Vlaanderen de inrichting van Van Wilderodes woonhuis in Moerbeke als letterkundig museum en ontmoetingscentrum op de lange baan schuift met drogredenen als "geen toeristische ligging" en "te klein" en met als werkelijke redenen het gebrek aan bereidheid - en aan geld? - om dit dierbare huis van onze voornaamste en grootste Vlaamse én ook Nederlandse dichter van de 20ste eeuw de eer te geven die het verdient, wordt er aangeklopt bij Van Rompuy, een oude CVP-krokodil... Bij het comité wordt dat ontkend, maar wie haalt dan zoiets in zijn hoofd? Bovendien is Van Rompuy een eerder zwak, niet Vlaams- én niet dichterlijk bevlogen spreker! Op die manier worden de Vlaamsbewuste vrienden, sympathisanten, intellectuelen en lezers van Van Wilderode (Cyriel Coupé) weggehouden van de herdenkingen. Een onbegrijpelijke flater alleszins! - Het laatste woord daarover is zeker nog niet gesproken.

Ik reageer met een fel bevlogen gedicht dat de vurig Vlaams-nationalistische én zuiver begaafde dichteres Aleidis Dierick schreef n.a.v. de tiende verjaardag van Antons overlijden in 2008. Dit gedicht was ook bedoeld voor de IJzerwake in Steenstrate.

In Memoriam Anton van Wilderode (1918-1998)
-----------------------------------------------------------------------
De jaren? Zij kwamen en gingen.
Wij hebben uw stem gemist,
de zachte, de hese.
Dichter, blijf spreken!

Een staat die u haatte en vreesde
heeft uw naam uit hun canon gewist;
in dit land zijn er altijd velen
bereid om, wie Vlaming is,
zonder pardon te schofferen.
Niet door hén wordt de toekomst beslist.
Een lied kan de eeuwen trotseren.
Gij hebt het in hardsteen gegrift:
"Wij hebben ons niét vergist."

De jaren? Zij kwamen en gingen.
Wij hebben uw stem gemist,
de zachte, de hese.
Blijf zingen, dichter, blijf zingen!

Uw liederen, wij blijven ze horen.
Uw woord en uw wederwoord;
het ruist om de eenzame toren
waar men uw pen brak en later uw hart.
Uw vers ruist in vlinderstruiken,
in de bomenrij om uw huis,
in vogelvluchten. Het fluistert
in water. Uw woord
is al brood op de tafel.

De jaren? Zij kwamen en gingen.
Wij hebben uw stem gemist,
de zachte, de hese.
Dichter, blijf spreken!

Wij hebben uw verzen gelezen
in een avondlijk dorp zonder ouders,
stil, bij een zwijgend graf
waar gij rust bij uw beide
broeders, schouder aan schouder.
De zomers zijn warm daar en heilig.
En zonder geluid valt de sneeuw.
En de jaren komen en gaan er,
over Vlaanderens bedreigde aarde.

Maar uw woord zal alles bewaren.
En een helder gedicht zingt zich vrij
µin de stralende, schitterende vaandels
die zwart en geel openwaaien
in Steenstrate over de wei.

Aleidis Dierick, 2008

En ten slotte, opgedragen aan het Moerbeeks comité én aan Van Rompuy, die het wel nooit zal te lezen zal krijgen:

Volk, word staat!
--------------------------
Volk, word staat, word Vlaamse staat
doe de kansen keren,
wéér wie u met slechte raad
om de wille van de baat
averechts regeren
zoveel slechte heren!

Volk, word staat, word Vlààmse staat
dop uw eigen bonen,
vecht zolang uw hart nog slaat
tot het vaderland bestaat
waarin straks uw zonen
beter zullen wonen!

Volk, word staat! De oude eis
nu in de felle gebiedende wijs!
Eindelijk, eindelijk eindigt de tijd
van uw beschamende horigheid.
Eindelijk neemt gij het lot van uw land
stevig in eigen hand!

Volk, word staat, word Vlààmse staat
om als volk te leven
Nacht die naar zijn morgen gaat,
morgenlicht en dageraad,
dag die onbeschreven
ons wordt toegegeven!

maandag 18 mei 2009

Kerselaar


Naast de weemoedige herfstmaand september, waarin 't nog fel zomeren kan, is deze Bloeimaand - de meimaand waaraan ik, nu weeral 15 dagen geleden een zowel op de strijdend-Vlaamse actualiteit als op de lentelijke mei-poëzie geënte bijdrage heb gewijd (4 mei) - wel de meest bezongen "prinses" in de reidans der maanden en dat in de literatuur van de hele wereld. De jubel, de intense vreugde om de openbarstende natuur, liet ik hier uit de pennen van Goethe, Heine en Gezelle weerklinken (naast mijn eigen "Merel in Mei").

Voor onze grootste "moderne", romantisch-klassieke dichter Guido Gezelle (1830-1899) was de bloesemende, bloeiende mei een verademing en een bevrijding van de pijnlijke tegenslagen in zijn leven als priester, leraar, dichter en journalist. Na het "kleengedichtje", dat ik op 4 mei citeerde (" 't Was in de blijde mei,/ ei, ei....") haal ik hier het heerlijke gedicht "Meidag" aan, dat de dichter schreef op de eerste dag van de Bloeimaand 1895, toen hij 65 werd. Ik doe dit met een persoonlijke toets: op donderdag 14 mei jk. werd ikzelf 65... Op die dag heb ik geen verrukkelijke lyrische lofzang geschreven, wél een satirische ballade, een stuk levensverhaal van mezelf én een korte typering van de zestien gasten ("groepsgewijs"...), die in mijn woning (appartement) in Berchem tesamen kwamen.

MEIDAG
---------------
De kerselaar zijn trouwgewaad
heeft aangedaan:
vandage moet hij, meidag is 't
ter bruiloft gaan.

Elk taksken is een priem nu, die
bewonden, wit,
tot tenden, in een' witte schee
van blommen zit.

Beruwrijmd, was hij schoon, wanneer
de winter woei:
veel duizendmaal is schoonder nu
zijn bloemgebloei.

Te winter was zijn' schoonheid als
een' beeltenis
des levens, koud en ijdel, zoo
de schaduwe is.

Geen schaduwbeeld en is hij nu,
geen schijn, maar al
dat schoon is, al dat levende, en
dat liefgetal.

't Is bruiloft, en 't is zonneweêr:
de zomermeid
den bruidegom verwacht, die haar
was toegezeid.

Guido GEZELLE
1.5.1895
(uit "Rijmsnoer")

Beste vrienden, geestverwanten en geïnteresseerde lezers van mijn Internet-Utopia: mag ik jullie verzoeken om af en toe eens een commentaar(tje) te zenden op al deze poëtische ontboezemingen en beschouwingen?

Volgende maal, nog vóór het einde van deze "Vrouwenmaand", druk ik hier nog een ontroerend sonnet af van een - ten onrechte - heel weinig bekend, maar zéér begaafd dichter: de Oostendenaar August Vanhoutte (1889-1937). Dit gedicht, een geestdriftige lofzang op de openbloeiende natuur, steekt verrassend af tegen zijn overwegend bittere poëzie.

maandag 4 mei 2009

"Im wunderschönen Monat Mai"...


De meimaand, met de terechte, volkskundige naam "Bloeimaand" - naast "Vrouwenmaand" (niet kwaad!), "Wonnemaand" en "Mariamaand" - heeft enkele dagen geleden reeds haar intrede gedaan. Een glorieuze maand van bloesemende zaligheid, van groei en bloei, van feestelijkheid! Al zit het weer nog niet in de goede richting, toch moeten de echt mooie meidagen nog komen! - Té koel en wat té winderig was het weer dat wij, moedige deelnemers aan de radicale, anti-belgische "Mars op Brussel" vandaag - ik schrijf dit op zondag 3 Bloeimaand - tegemoet gingen. Maar al bij al kregen we vrij veel zon. Spijtiger was de té geringe opkomst voor die betoging: ik schat het aantal van de stappende, scanderende en - eindelijk weer luid in het Nederlands zingende- betogers op iets meer dan 2000.... Het door het organiserende KVHV (Katholiek Vlaams Hoogstudentenverbond) vooropgestelde aantal van 5000 werd niet bereikt. Met de Vlaamse (en Europese) verkiezingen voor de boeg kon deze betoging een sterker signaal - en nog beter: "wraaksein" (uit "De Vlaamse Leeuw": "Het wraaksein is gegeven. Hij is hun tergen moe...") zijn geweest naar de volksvreemde belgische en naar de slappe Vlaamse "overheid" toe... Het rebels gevoel tegen en de afkeer van deze anti-Vlaamse én anti-Nederlandse, dus "slechte heren", zoals Anton van Wilderode ze voor eeuwig bestempelde, evenals de schrijver van dit utopisch domein binnen het "internet", in zijn gedicht "De slechte staat", is in Vlaanderen al ruim verslapt. Een golf van neo-belgicisme, vooral vanaf 1991, te wijten aan de dood van Baudouin... In dat jaar greep ook de vorige Vlaams-nationalistische betoging in het oude, Dietse "Broekzele" plaats. En dertig jaar eerder stapten niet minder dan 100.000 strijdlustige flaminganten en nationalisten door de aloude, Brabantse en dus Nederlandse stad, tijdens de eerste (1961) en de tweede (1962) Marsen op Brussel. Maar goed nu, de mens van de 21ste eeuw, ook de Vlaming of juister Zuid-Nederlander, heeft veel van die weerbaarheid verloren. Het materialisme, de denationalisering en met name het domme, achterhaalde neobelgicisme, naast de algemene verwarring en het identiteitsverlies op elk gebied zijn de grote schuldigen van deze verslapping en ontaarding! Dat er ook heel wat studenten én andere jongeren mee opstapten is dan toch weer een pluspunt.

Deze meimaand wil ik poëtisch inleiden, met een eigen gedicht en met enkele andere. - In mijn jongste dichtbundel, "Gebleven is de adel", vind je op bladzijde 16 het gedicht "Een merel in mei". Ik druk het hier af.

Een merel in mei
--------------------------
Een eerste mei vol zon
over de vers getooide tuin gegoten
alsof het nooit meer anders kon.
Alleen de merel zingt hier onverdroten.

Hij is van pijn en zorg gespaard
begroet de regen met sonore tonen.
Zijn lied is vrij en onbezwaard
komt ongevraagd de dag bekronen.

Och kon ik toch die merel zijn,
onbezwaard en zingen, onverdroten.
Ik wilde wel die merel zijn
en zingen, fluiten, vastbesloten.

Wie die stijlvolle bundel met, 63 gedichten en vier houtsneden van de Waaslandse graficus Wim De Cock, beldend kunstenaar, dichter en Villonvertaler, kan het boek bij mij bekomen door storting van 20 euro op rek.nr. 979-6189 08-40 van Erik Verstraete, Jos Ratinckxstraat 17, 2600/ Berchem-Antwerpen; tel. 03/448.41.09.

Er zijn talloze meigedichten in alle Eurpese literaturen. Ik koos het volgende eenvoudige, kinderliedje a.h.w., van Guido Gezelle (1830-1899), uit "Driemaal XXXIII kleengedichjes":

'r Was in de blijde mei,
ei, ei,
't was in de blijde mei!
En, komend achter 't land gegaan,
'k zag al de blijde blomkens staan:
't was in de blijde mei,
ei, ei,
't was in de blijde mei!

Puur, zuiver en muzikaal, dit meiliedje.

Wereldberoemd is Goethes (1749-1832) "Mailied", uit de vroege lyriek van zijn "Sturm- en Drang-periode" (de jaren 1770). Het is een wonderbaar verbond van openbarstende, lentelijke natuur en prille liefde. Ook weer heel eenvoudig en daardoor zo mooi!:

MAILIED
----------------
Wie herrlicht leuchtet
Mir die Natur!
Wie glänzt die Sonne!
Wie lacht die Flur!*

Es dringen blüten
Aus jedem Zweig
Und tausend Stimmen
Aus dem Gesträuch.

Und Freud und Wonne
Aus jeder Brust.
O Erd, o Sonne!
O Glück, o Lust!

O Lieb, o Liebe!
So golden schön,
Wie Morgenwolken
Auf jenen Höhn!

Du segnest herrlich
Das frische Feld,
In Blütendampfe
Die volle Welt.

O Mädchen, Mädchen,
Wie lieb ich dich!
Wie blicht dein Auge!
Wie liebst du mich!

So liebt die Lerche
Gesang und Luft,
Und Morgenblumen
Den Himmelsduft.

Wie ich dich liebe
Mit warmem Blut,
Die du mir Jugend
Und Freud und Mut ons

Zu neuen Liedern
Und Tänzen gibst.
Sei ewig glücklich,
Wie du mich liebst

* Flur = veld, beemd
* Blüten = bloesems
* Wonne = gelukzaligheid, heerlijk gevoel
* Himmelsduft: hemelse geur

Een wonderbaar gezang dat een heerlijk verbond tussen natuur en liefde schept! - Vele lieflijke meiliederen bieden de Duitse, de Nederlandse, de Engelse en andere Europese poëzie en dat al sedert de middeleeuwen toen meiliederen als volksliederen werden gezongen. Dezelfde versmelting van liefde en natuur bracht de grote dichter Heinrich Heine (1797-1856), in een befaamd meilied, waaraan ik de titel voor deze bijdrage ontleende:en hier de eerste strofe opdiep.

"Im wunderschönen Monat Mai,
Als alle Knospen sprangen,
Da ist in meinem Herzen
Die Liebe aufgegangen".

dinsdag 21 april 2009

"Een vaderland om in het hart te dragen"


Het is warempel sedert 1 april geleden dat ik nog een tekst met een boodschap of een actuele inhoud aan mijn Utopia-land heb toevertrouwd. Ik had nochtans beloofd dat ik met grotere regelmaat zou opduiken. Door mijn eigen elektronische fout hebben enkele beklijvende paasgedichten mijn blog niet kunnen bereiken, die nochtans uitstekend wordt verzorgd en opgesmukt door mijn nationalistische en Dietse kameraad Björn Roose. Die paasgedichten waren van de hand van groten als Guido Gezelle, Wies Moens en Anton van Wilderode. Maar kom, vijgen na Pasen: daar begin ik niet mee! Ik gooi het dus over een heel andere, volkse en sociale boeg, met de strijd der bittereinders om het behoud van Doel én met een sterk spotgedicht over "een vaderland om in het hart te dragen".


Op de eerste plaats blijft de strijd om het behoud van (wat er nog overblijft van) het mooie en historisch waardevolle Scheldedorp Doel actueel en wordt het verweer van de dappere bittereinders van "Doel 2020", onder leiding van Jan Creve, in de komende maanden nog bitterder. Op 31 augustus vervalt immers het woonrecht in Doel. Nog een 200-tal Doelenaars willen niet weg. De leugens van de "minister-president van Vlaanderen", Kris Peeters, met name dat hij ons door de "crisis" zal loodsen - God betere het! - door onze welvaart te herstellen, die in hoge mate - vindt deze CVP-er - afhangt van de havens... daar moeten we alles voor over hebben, voor die gulzige moloch van de Antwerpse haven..., daarvoor moet het Waaslandse dorp Doel worden gesloopt, op brutale wijze platgewalst. De moedige militanten krijgen wel de morele steun van een hele groep Wase, Antwerpse en andere dichters en van de ijverige vrouwen van KunstDoel - Eva van Tulden, Frie Lauwers, Dianne Nuyts en Marina Apers, die aan de havenheren en aan de Vlaams-Belgische regering voorstellen om Doel te behouden als een "kunstendorp", met tentoonstellingen, poëzieavonden, concerten enz. De dorpsbewoners steunen dat alles heel geestdriftig. Toch blijft de vraag: dringen alle acties, zacht-poëtische, muzikale en beeldende, wel door tot de domme, a-culturele koppen van de Belgisch-Vlaamse heersers rond de engelachtige hypokriet Peeters en tot de brutale vlerk Schalk van de "Maatschappij Linkeroever"? Ik geloof van niet. Zoals steeds in dit bekrompen land zullen we, met veel "laatste Mohikanen van goede wil" de strijd zélf moeten voeren, met de eigen mensen en met zoveel mogelijk sympathisanten. In Nederland gaat dat wel: het dorp Ruigoord blijft bestaan binnen de haven van Rotterdam en de overheid is niet zomaar botweg tot ontpoldering bereid... Het Saeftinghe-dok is niet meer nodig en de zgn. crisis belet de aanleg ervan... Zo horen en lezen we toch... Waarom dan Doel (laten) vernietigen en daar een nutteloos en zinloos stuk braakland laten liggen? Wat dichters van formaat als Mark Meekers, Frank De Vos, José de Poortere en uw dienaar schreven en schrijven, dringt niet tot de domme regeerders-koppen door! Die lezen dit utopisch blog toch niet en ze halen hun schouders op bij ons protest, of ze nu "links" zijn of "rechts". Om Doel weer eens poëtisch recht te doen, kies ik dit keer voor een heel vroeg Doel-gedicht en wel "Doel 2" uit de bundel "Ik adem mijn eigen aarde". Vijftig Waaslandse gedichten van mijn vriend Anton van Wilderode (1918-1998). Deze bundel verscheen in 1974. Het gedicht is dus bijna veertig jaar oud... Profetisch, zoals een groot dichter dikwijls is, uit hij de angst om het bedreigde dorp:

DOEL 2
--------------
De lege zondagmiddag strompelt voort
alleen gelaten na 't gelui der klokken;
de luie netten hangen opgetrokken,
een zak vol wind, en niemand meer aan boord.

Het water moeizaam heeft het laatste woord
tegen de schoeiingsborden en de bokken;
een kleine rietgors ruist omhoog met snokken
als vastgebonden aan een iele koord.

Het dikke slib gedijt en ongestoord
waadt stroomopwaarts het riet met dichte rokken,
maar op de horizon groeien de dokken.
De laatste visser doet of hij niet hoort.

Maar in dit land kent men geen schaamte. Zo lees ik ook in een schamper en fel spotgedicht van een andere Waaslander, die zich "Simon Schamp" noemt. Het gaat hier uiteraard om belgië, maar de huidige, "Vlaamse" regeerders zijn ook al besmet door de oude belgische ziekte. Onze toekomst, als Brabanders, Vlamingen en Limburgers, is Nederlands, geleidelijk groeiend naar een Nederlandse staat! Veel in het volgende gedicht is van toepassing op de aanslag op Doel!

Een vaderland om in het hart te dragen
---------------------------------------------------------
Dit is het vaderland waar men geen schaamte kent.
Waar normen even snel als damp vervagen.
Waar diefstal en corruptie ongeremd
De oorzaak zijn van stijgend onbehagen.
Dit is een vaderland om in het hart te dragen.

Dit is het vaderland waar men de wetten stemt
Om tegenstanders te belagen.
Waar men belastert, broodrooft en de rechten schendt
Van hen die heel terecht om uitleg vragen.
Dit is een vaderland om in het hart te dragen.

Dit is het vaderland waar elke delinquent
Met vrucht en onbevreesd, zijn kans kan wagen.
Waar hij wordt opgevangen en verwend
Tot aan het einde van zijn dagen.
Dit is een vaderland om in het hart te dragen.

Dit is het vaderland waar elke zuurverdiende cent
Met zorg wordt nagepluisd en aangeslagen.
Waar vorst en paladijnen permanent
Als ratten aan de staatskas knagen.
Dit is een vaderland om in het hart te dragen.

Dit is het vaderland. Dit is de circustent,
Waarvan wij hier met schroom gewagen.
Het rotversleten monument,
De ergste van de zeven plagen.

Dit is het vaderland dat wij ten grave dragen.


Simon Schamp


(Afbeelding boven : SS Vaderland, een "belgisch" stoomschip dat voor de Red Star Line op de lijn Antwerpen - New York voer vanaf januari 1873. Het werd in maart 1989 omgedoopt naar "Géographique", ging onder Franse vlag varen en zonk in oktober van datzelfde jaar ten gevolge van een aanvaring ...)

woensdag 1 april 2009

Dichters, kunstenaars en Doelenaars voor "KunstDoel"



Dichter Frank De Vos heeft op zaterdag 21 lentemaand, bij het prille ontwaken van een - net als het Waaslandse Scheldedorp Doel zelf - verzuipende "lente" de eerste DorpsDichterDoel, Mark Meekers, opgevolgd. Uit zeventig inzendingen van poëten uit heel Vlaanderen, werd zijn gedicht "Habeas Corpus" ("We hebben een lijf") door de vijfkoppige jury - Mark Meekers, Dianne Nuyts, Willem Persoon, Bert Bevers en Karel Sergen - als het sterkste bevonden: "actueel, nostalgisch én strijdvaardig". Dit gedicht kan je hieronder en op Google vinden onder "Frank De Vos" en ook onder "KunstDoel". Er waren nog vele andere inzendingen, waardevol naar inhoud en vorm (stijl), die niet werden bekroond noch "eervol vermeld". Eéntje ervan was dat van uw dienaar-dichter, samensteller van dit "Utopia" (="nergensland"). En juist het lieflijke, al uit de 13de eeuw stammende, Waaslandse dorp Doel, wordt, onherroepelijk én wraakroepend, een - zij het zeer negatief - "utopia"... Je kan het hierbij, na dat van Frank De Vos - dat écht een bekroning verdiende! - ook lezen. Ik zond het in onder de schuilnaam "Luctor et Emergo" (=Ik worstel en ik blijf boven!), de zeer toepasselijke wapenspreuk van het zo nabije Zeeland.

Dichters, schrijvers en juryleden praten véél, terwijl de echte voorvechters voor het redden van wat er nog te redden valt in het steeds verder bedreigde en verwoeste Doel, op de barrikaden gaan staan: Jan Creve en zijn dapperen, vrouwen en mannen van "Doel 2020", die op de daken klimmen én voor de bulldozers post vatten... Aan hén draag ik volgende gedichten op: dat van Frank De Vos, dat van mezelf én nog één van José De Poortere, priester en dichter van Sint-Niklase oorsprong, dat - toevallig - dezelfde titel heeft als het mijne: "Doelstelling". Hij nam het op in zijn bundel "De navel van de wereld" (1999, Uitgeverij Zuid en Noord, Beringen). Dé voornaamste én voor de toekomst beklijvendste Doel-dichter blijft alleszins Mark Meekers, van wie ik in deze blog én in 't Pallieterke al enkele gedichten publiceerde. Op die - feestelijke én bittere - zaterdagavond 21 maart - stelde hij een nieuwe bundel met zijn 55 Doelse én dwars-rebelse gedichten voor: "Doelgericht". Jammer genoeg is dit, fraai met een eigen kunstwerk versierde, boek slechts in beperkte oplage bij de dichter te verkrijgen. Hij gaf het in eigen beheer uit. Opstandig, prachtig-sarcastisch en soms cynisch, dàveren deze gedichten naar de toekomst, stérker dan de gruwelijke bulldozers van de "Vlaams-belgische" baas Peeters... Ik kies één van deze bijzonder sterke, beklijvende gedichten, sowieso een aanklacht tegen de huidige, Vlaams-belgische politiek: "Archeologie" (blz. 52 in de bundel).

Habeas Corpus
----------------
Wij hebben een lijf, omdat we geen stad zijn,
geen samengedreven vee, geen blauwe r
die aanrolt op het betonrot van een havendok,
omdat we taarten eten, smoutebollen bakken,
er joelende kinderen spelen,
omdat de boer zijn boerin hier kust, er nog
een molen staat, er geen metaalmoeheid raast,
omdat we geen klaplong zijn, geen palliatief verhaal,
geen geslepen gebit van een baggerkraan
omdat we hier 's avonds de soep uitscheppen bij elkaar
op de stoep, om ons gezicht een laatste praatje slaan.
Wij hebben een lijf, omdat we geen stad zijn
en "zie je" zeggen, en "ook zo", we ons Doel
noemen, niet Guantanamo Bay.

Frank De Vos


"Doel-stelling"
-----------------
Dichters en arme duivels zijn nu aan zet!
Een laatste garde Doel-minnaars doet weer geloven
dat uit vernieling en verdriet nog kan naar boven
komen wat woord, muziek en beeld deels heeft gered.

Kan kunst dan toch dit dorpje redden,
zo klein en broos in d'oude stroom gebet?
Onraadbaar is de toekomst, maar onze wil wordt wet,
als weinige vrouwen, mannen ook de stem beletten

die moedeloosheid en onmacht steeds weer staaft
en voor het dorp de kuil nog dieper graaft.
Wordt dit geen utopie: herleven uit de kunsten
van dichters, die voor laatste Doelenaars hun gunsten,

schoon en schamel, mild en vrij ten dienste stellen?
Die gezellen, zangers ook en beeldenaars, van elke tijd
zijn zij. Ten langen lest' verdrijven zij 't beknellen
van velen in het keurslijf van de slechte staat en tijd!

Als Zeelands wapenspreuk wordt hun het weten
dat 't felle worstelen en niet verzuipen tot gebod
geworden is in dit onzalig land; dat spot
met 't smalste stukje lieve aarde hen nog verbeten

teisteren zal. Maar zijn niet de poëten de bazuinen
die schallen, eeuwenoud en onversaagd, tot 't verweer
in hart en geest van velen daagt en uit de kruinen
van de trouwe ritselbomen trilt zoals weleer?

Luctor et Emergo!
20 wijnmaand 2008


In de jaren 1990, toen de bedreiging van het slopen, afbreken en verwoesten van Doel door de "Maatschappij Industrialisatie Linkeroever" steeds duidelijker werd reageerden reeds enkele voorname Vlaamse dichters op die aanslag op een oud, historisch waardevol, Waaslands dorp. Onder hen de uit Sint-Niklaas afkomstige priester José De Poortere, oud-leerling van Anton van Wilderode, in het gedicht "Doelstelling" - toevallig met dezelfde titel als dat van je "realistische utopist"..., maar wel heel anders dan toonaard. Het werd opgenomen in José's bundel "De navel van de wereld" (1999). Lees maar!


"Doelstelling"
------------------
Ze willen Doel onteigenen
berekenen in Euro.
Een juist herstelde kerk
heeft minder waarde dan een dok,
bejaarden zullen als bloempotten
worden verplaatst, verplant.

Mijn bed staat niet in Doel
ik vang er zelfs geen krabben,
maar waarom blijven de koeltorens
ongehinderd op de nieuwe havenplannen
waarom beslist een meerderheid
van Antwerpse arroganten?

Is dit een stammentwist, een dorpje
in een Wase polder, een handvol mensen
van over het water tegen een grote stad
die verder uitbreidt als een olievlek
gedreven door het Vlaamse centralisme
een resistente virus van geld en macht?

Of wordt in Doel een ramp verwacht,
moeten de mensen nu al vluchten?
Is Antwerpen zelf wel veilig
als de zuidpool in de broeikas smelt
de oceanen en de zeeën groeien
en alle havens in de lage landen sterven?

José de Poortere
(uit "De navel van de wereld", 1999)

Ik besluit met het fel-sarcastische gedicht uit de bundel "Doelgericht" van Mark Meekers:

Archeologie
----------------------
ooit spelen hier weer kinderen als het
geluid van containers vol schroot voor
Afrika is weggeroest, alle dioxine geëx-
porteerd, er geen munt meer rolt voor

€-rotici. Doel spiegelt nog in de plassen,
is nooit meer uit het water weg te wissen.
de kans is groot dat tussen baggerspecie,
haaientanden en betonrot een fossiel uit

het Cynicum wordt gevonden: de tijd dat gods
ster doofde, die van Peeters straalde.
een schedel zonder gehoorbeentje, bril-
letje bijziend en haaks op humaniteit.

hoe kwam hij om? gleed hij van het jacht
dat over de Schelde stoeide in een regen-
boog van zuurstokkleurtjes? brak hij zijn
nek in de kloof tussen burger en politicus.

dinsdag 17 maart 2009

In het spoor van Mark Meekers: Doel krijgt tweede dorpsdichter


Hij hoeft de eerste dorpsdichter van het bedreigde en al deels gesloopte Scheldedorp Doel, Mark MEEKERS, wel niet te evenaren - daar is weinig kans op ...-, maar de tweede DorpsDichterDoel is op komst. Op zaterdag 21 maart om 20 u., de eerste dag van de lente nog, maakt hij zijn opwachting in de gezellige -dus nog niet platgewalste- "De Doolen" (Engelse Steenweg) in het dorp, dat de voorbije dagen weer akelig en ten hemel schreiend in het nieuws kwam. Ikzelf heb deelgenomen met één gedicht aan de poëziewedstrijd die aan de verkiezing van die tweede Doelse dorpspoëet voorafging. Mijn eigen gedicht kan ik hier, vóór dat "dichtersfeest" - spijts alle ellende en vernieling door de "Vlaamse" overheid (de schijnheilige Kris Peeters op kop...)- nog niet afdrukken. Ik begin dan met één van de 55 Doelgedichten van Mark Meekers (Marcel Rademakers uit Heverlee):

DOELEINDE
--------------------
Ingeschreven in de dodedorpenalmanak bij
Oradour, My Mai, hommage aan de dood-
gravers. als je vanuit je pretentie van 60 ja-
ren, eeuwen gebakken leem gladstrijkt,

beeft je hand? tweeling-koeltorens, pluimen
op de hoed van de elektriciteitslobby. als je
van daarboven naar een lampje speurt, gaat
er jullie dan een licht? Wij zijn reizigers

op "deurganck" in de tijd. het grootste graf
ligt gedolven. een koning knipt al het lintje.
troost de erfgoedminnaar, steek het dorp
in een container, bouw het in Singapore

weer op. wie betaalt de waterrekening van
de zondvloed? keilt de ultieme kei door het
raam van de woede? de doden zullen met
hun vuisten op de stalen rompen hameren.

Op een ander, ontroerend gedicht over het hem al in zijn kindertijd dierbaar geworden dorp Doel, paste Mark Meekers de titel van een veel geprezen historisch werk over Vlaanderen toe: "The fair face of Flanders" (Vlaanderens fraai gelaat), een schitterend werk van Patricia Carson, een Engelse geschiedkundige, die in dat andere idyllische dorp aan een rivier, in Afsnee aan de Leie woont.

The FAIR FACE OF FLANDERS
---------------------------------------------------------
in het mooie gelaat van Vlaanderen niet
de waterige blik van Brugge, niet de rode
neus van Gent, minder nog de grote mond
van Antwerpen. slechts een boerenpukkel.

maar laat het dorp dorp zijn. spreek het
niet aan met "U". het is "gij" zoals ge weet.
solidariteit staat hier niet in uitverkoop.
pas het geen maatpak, geen hoge boord.

ket landschap loert door het sleutelgat.
je moet eindeloos over de polder staren
voor een steen je oog treft. hoe het dorp
uit alle macht vredig is, nog de taal kent

van vlaamse gaai en wielewaal, schatkist
is waarin het glinstert van de sterren,
streling waar je niet op uitgekeken raakt,
die een blinde bewonderaar van je maakt.

Ten slotte, vrienden en geestverwanten, mijn eigen volksverbonden en nationalistisch getint Doel-gedicht, dat ik in de oogstmaand van 2008 schreef. De titel is geïnspireerd door Anton van Wilderodes prachtige tweede groot fotoboek, uit zijn bekroonde dichtbundel "En het dorp zal duren" (1986).

ZAL HET DORP NOG DUREN?
---------------------------------------------------
Zal het dorp nog duren,
zoals Van Wilderode zegt?
Houdt verbeten weerstand muren,
warm bewoond, nog gaaf en recht

tegen een niets ontziende overmacht?
Ik wil, zoals de Doelse boeren, wel geloven
dat geestdrift en verweer, een felle kracht,
dat slopen en vernielen kan te boven

komen. Maar vernielzucht in de naam
van heilige "vooruitgang" valt toch niet te stuiten.
't Besef van zelfbehoud in eigen naam
is in dit kortzichtig en bekrompen land,

een "Belgisch" Vlaanderen, al eeuwen zoek.
De weinigen die eigen rechten eisen
en eigen grond, houden zich wel kloek,
maar "overmacht verplettert heldenmoed", wist Sneyssens,

zoals hem Rodenbach zo tragisch zag.
Dit kleine Wase dorp, een parel aan de Schelde,
verdient ons aller steun, onder de vlag
van 't Vlaamse volk, het eeuwen lang gekwelde!

Erik Verstraete
(oogstmaand 2008)

Mijn volgende "utopische" - maar toch ook realistische - bijdrage zal gewijd zijn aan het "dichtersfeest" van 21 maart, met de aanstelling van een twee "DorpsDichterDoel". Gastvrouw van de avond is de fervente ijveraarster voor een artistiek Doel, een "KunstDoel". Of dat van officiële zijde zal worden aanvaard, is nog zeer de vraag. Niettemin: "Het is niet nodig te hopen om te ondernemen, noch te slagen om te volharden" (Willem de Zwijger).

dinsdag 10 maart 2009

Hadewijch en Lucienne Stassaert: van lente en minne!


In mijn Utopia-tekst van 4 maart jl. heb ik beloofd niet meer zo lang te zullen wachten met nieuwe poëtische en satirische bijdragen -Diets en Vlaams-nationalistisch gekleurd uiteraard - te zullen "posten" naar hopelijk zo veel mogelijk geïnteresseerden. Dat doe ik dan nu. Belofte maakt schuld! Ik tracht me voortaan aan een frequentie van één of twee maal per week te houden. Velen lezen dit utopisch en poëtisch internet-verhaal en ik hoop dat er ook enige reacties zullen komen!

Vandaag wijd ik aandacht aan twee Vlaamse - beiden in wezen Dietse- dichteressen: de 13de-eeuwse, Brabantse (Antwerpse) mystica Hadewijch, één der grootsten van de wereldliteratuur!- én de moderne, zéér gedreven en hoog begaafde Antwerpse: Lucienne Stassaert (° 1936), wier bundel "In de laai van het vuur - Camille Claudel" werd bekroond met de Dr. Ferdinand Snellaert-prijs van de VVNA (Vereniging van Vlaams-Nationale Auteurs). Camille Claudel, zuster van de beroemde, uitgesproken katholieke schrijver, was als beeldhouwster één der grootste Franse en Europese kunstenaars van de moderne tijd. Zij was een zeer rebelse en nonconformistische vrouw, die hevig vocht om haar rechten als kunstenares. Verstoten en naar een psychiatrische instelling gestuurd door haar moeder en broer, leidden woede en verbittering haar naar een - tijdelijke - waanzin! Zij is één der kunstenaressen en bijzondere vrouwen die de bewondering en het inleveringsvermogen van dichteres Lucienne Stassaert wegdragen. Andere speciale vrouwen, kunstenaressen van wereldformaat zijn Hadewijch, de Amerikaanse dichteressen Emily Dickinson, Sylvia Plath en Rachel Baes, schilderes en bewonderaarster van Verdinaso-leider Joris van Severen! Stassaert vertaalde poëzie van Dickinson en Plath, schreef gedichten bij schilderijen van Rachel Baes en evoceerde op aangrijpende wijze het tragische leven van Camille Claudel. Wat nu de grootste en wonderlijkste kunstenares van allen betreft, Hadewijch, van haar hertaalde Lucienne een twintigtal gedichten en liederen, uit de "Mengeldichten" en "Strofische Gedichten". Op een voorbeeldige wijze en met een sterk inlevingsvermogen brengt zij de, door de hoofse "Minne" geboetseerde maar tot God gerichte gedichten nader bij - verstandige en schoonheidsgevoelige - lezers in een prachtig uitgegeven boek, dat, onder de titel "Minne is wonderzoet in al haar stormen" (in Hadewijchs "Diets" of Middelnederlands: "Dat suetste van minnen sijn hare storme") bij de Leuvense Uitgeverij P verscheen. Door haar hertaling van de diepzinnige Minnepoëzie van Hadewijch, bevestigt Lucienne Stassaert het eeuwige karakter van de lyriek van haar grote voorgangster.

Waarom verbond ik nu de grote, mystieke Minne - op wereldlijke, hoofs-middeleeuwse lijst geschoeid - met de lente in de titel? Omdat, enerzijds en algemeen-menselijk bekeken, de lente, de ontluikende natuur het verlangen naar - geestelijke én lichamelijke én erotische liefde - opwekt. Anderzijds gebruikt Hadewijch, in haar hevige hunkering naar de grote Minne voor God, een aangename natuurverrukking als zgn. "Natureingang" om dan, tegengesteld aan dat heerlijke, "warme" natuurbeleven, de grote eenzaamheid en de "ijskoude" nood van de minnaar (minnares) weer te ondergaan. De Minne was voor haar, na en naast een zeldzame, intense vreugde, meermaals en overvloedig een kwelling en een marteling, omdat ze de volheid, de goddelijke diepte en schoonheid ervan, niet bereiken kon. Ik geef een voorbeeld van een "Natureingang" (Duits voor "natuuropening" van het gedicht) uit één van haar "Strofische Gedichten" (XVII) én van de daaropvolgende plotse nood om het onvervuld verlangen naar de Minne. Daarna volgt de mooie vertaling van Lucienne Stassaert:

HADEWIJCH (uitspreken: Hadewig)
--------------------
ALS HEM DIE TIJT VERNUWEN SAL
-------------------------------------------------------
1.
Als hem die tijt vernuwen sal,
Nochtan es berch ende dal
Wel doncker ende ontsiene overal;
Doch gheer die hasel bloyen.
Al hever die minnare ongheval,
Hi sal in allen groyen.

2.
Wat hulpet hem bliscap ochte tijd
Die gherne in minnen name delijt,
Ende niet en vint, inder werelt wijt,
Daer hi met trouwen op mach rusten
Ende wil vri toe segghen: "lief, ghi sijt
Die minen gront mach custen".
-------------------------------------------------------

ALS HET SEIZOEN ZICH VERNIEUWEN ZAL
--------------------------------------------------------------------
1.
Als het seizoen zich vernieuwen zal,
Ofschoon het in berg en dal
Nog donker en kaal is overal,
Gaat de hazelaar toch al bloeien.
Al heeft de minnaar tegenval,
Hij zal in alles groeien.

2.
Wat helpt hem blijdschap of lentetijd
Die zich 't liefst in 't minnen zou hebben vermeid,
Maar niemand kan vinden, wereldwijd,
om in vertrouwen bij te rusten
En tegen te zeggen: "Lief, gij zijt
Diegene die stilt mijn diepste lusten."

Hadewijch moet dit gedicht - dat hier niet volledig is afgedrukt - hebben geschreven bij het ervaren van het prilste lentegevoel, (eind januari of februari), als de wonderbare "toverhazelaar" ontluikt en gaat bloeien!
Borms Van Severen Van Wilderode Verschaeve Dietsland