maandag 8 maart 2010

Aleidis Dierick: een nieuwe lente, een winters-broos geluid !


"Dondermaand": het is maar één van verscheidene volksnamen voor de grillige overgangsmaand tussen winter en (soms nog verre) lente. Enkele andere nog: buienmaand, dorremaand (verwant met "donder"), guldenmaand, lentemaand en Thormaand. Thor was bij de Germanen van het Noorden de dondergod; de West-Germanen, Franken, Saksen, Friezen, Angelen, Alemannen, Boergonden e.a. geruikten de naam "Donar". De oude Germaanse mythologie heeft, naast het kristendom, met Latijn en Grieks, meer invloed gehad op onze volkstalen dan we kunnen weten!

Ik wil mijn "maartse buien" van kennis, geloof en liefde openen met een gedicht van een lieve vriendin, geestverwante, én radikale nationaliste, de Vlaamse, dus Nederlandse, Aleidis Dierick. In het fiere Aalst is zij een drijvende kracht achter de strijd voor de opgang en de algehele onafhankelijkheid van ons volk! Samen met Lucienne Stassaert en Jo Gisekin is zijn één der grootsten van de hedendaagse Vlaams, dus Nederlandse poëzie. Treffend en zuiver is de gestalte van maart die zij in haar gelijknamig gedicht oproept:

MAART
------------

De dage breekbaar, van ijs, doorschijnend
de nachten van wind en beweging,
warmte, de aarde, zij kantelt.
Van gras een verrukkelijke keerkring.
Bruin en bewolkt zijn de stromen,
de struiken losbarstend in twijgen,
als huiven de kruinen vol vogels,
het hart is tot alles in staat.
Verlange, een mond in het donker,
een mateloos verwachten van water,
beminde bevrijd mij van honger.
De morgen zo koel als agaat.

Aleidis Dierick
(uit 'Een zomer voorzien', 1977)

Ik zal trachten nog poëtische schoonheid te puren uit het oeuvre van Hadewijch en Alice Nahon...

zaterdag 13 februari 2010

De vroegste lenteadem


Telkenjare denk ik: nu zal ik de vroegste, prille adem van de lente voelen en terugdenken aan onze ouderlijke tuin (hof) in Mortsel-Dorp, in de jaren 1950, toen Mortsel nog géén stad was... Februari, met zijn oude volksnamen "dooimaand, dollemaand, koekemaand, Lichtmismaand, schrikkelmaand of slijkmaand" genoemd, was voor mij herademen, het aanwaaiende voorjaar proeven. Momenten van blijdschap dus! Het hagelde, regende, sneeuwde en vroor nog wel, maar er hing méér in de lucht: de verre, zachte adem van de lente. En ik zong of neuriede in onze heerlijke tuin (waar de appel-, pere-, kerse-, krieke- en perzikbloesems hun opwachting gingen maken...) Schuberts verrukkelijke lied: "Die linden Lüfte sind erwacht. Sie säuseln und wehen tag und nacht. Sie schaffen an anten Enten. Nu muss sich alles, alles wenden!" Ook Novalis (1772-1801, Friedrich von Hardenberg), de voortijdig aan tuberculose overleden mystieke dichter, de romanticus pur sang, voelde zeer intensief en vurig de eerste adem van de lente, het "Frühlingserwachen".

Ik haal hier enkele strofen aan uit zijn ontroerend lentegedicht "Es färbte sich die Wiese grün..." dat ik heb vertaald en opgenomen in mijn jongste dichtbundel "Gebleven is de Adel" (2006). Ik voeg er mijn Nederlandse vertalingen aan toe.

Es färbte sich die Wiese grün,

und um die Hecken sah ichs blühn;

Tagtäglich sah ich neue Kräuter,

mild war die Luft, der Himmel heiter;

ich wusste nicht wie mir geschah

und wie das wurde was ich sah.

Und immer dunkler ward der Wald,

auch bunter Sänger Aufenthalt,

es drang mir bald auf allen Wegen

ihr Klang in süssem Duft entgegen;

ich wusste nicht wie mir geschah

und wie das wurde was ich sah.

.........................................................

Wie ich so stand und bei mir sann,

ein mächt'ger Trieb in mir begann.

Ein freundlich Mädchen kam gegangen

und nahm mir jeden Sinn gefangen.

Ich wusste nicht wie mir geschah

und wie das wurde was ich sah.

Uns barg der Wald vor Sonnenschein.

Das ist der Frühling fiel mir ein;

und kurz, ich sah, dass jetzt auf Erden

die Menschen sollten Götter werden.

Nun wusste ich wohl wie mir geschah

und wie das wurden was ich sah.


De weide kreeg een groene glans

en om de hagen was de bloei één dans.

Nieuw kruid schoot dagelijks op in 't wild

onder een heldere hemel, in een lucht zo mild;

hoe kon ik zo veel schoons verhalen

dat ik zag groeien uit de diepste dalen?

Steeds dichter, donkerder groeide het woud

van bonte zangers weer het oponthoud.

Hun lied drong mij op alle wegen

in zoete geuren heerlijk tegen.

Hoe kon ik zo veel schoons

dat ik zag groeien uit de diepste dalen?

.........................................................

Toen ik daar stond me te bezinnen

voelde ik een felle drang van binnen:

een vriendelijk meisje kwam voorbij

bekoorde elk zintuig in mij.

Hoe kon ik zo veel schoons verhalen

dat ik zag groeien uit de diepste dalen?

Het woud beschutte ons voor de zon.

Plots wist ik: 't is de lente die begon.

En jubelend zag ik dat op aarde

de mens weldra tot god verklaarde.

Nu kon ik wél al 't schoons verklaren

dat ik zag groeien uit de diepste dalen.


Deze zangerige, sterk ritmische verzen van Novalis ademen één en al de levensverrukking van de romantiek (eind 18de-eerste helft 19de eeuw) uit. We kunnen ze lente, zoals hier ervaren, eerder situeren op het einde van maart, begin april.

Voor het februari-gevoel stap ik over naar onze Nederlandse poëzie en met name naar Aleidis Dierick, grote dichteres en felle Vlaams-nationaliste uit Aalst.

Februari

---------------

Februari de buizerds paren

in een nest van ijzel een zachte hartstocht

mijn minnaar hij mint met fluwelen handen

met een lichaam een woning van veren.

Een vlies van vorst op de binnenmeren

een sluier van sneeuw, in de middag

een waaier van losbarstend water

het erf vol geluid achter notelaren.

In de wortels een donker bewegen

een ader van groen door de aarde

een nest in de razende regens

mijn minnaar een stolp van begeerte.

(uit "Een zomer voorzien", 1977)

woensdag 20 januari 2010

Dooi in de louwmaand


Januari is oorspronkelijk een Latijns woord, dat ontstaan is uit "Ianuarius", de naam van de Romeinse god der deuren en poorten en van het begin van het jaar. De oude Nederlandse, Germaanse volksnaam is anderzijds "louwmaand", dat afgeleid is van "looien", Middelnederlands loe(y)en en dat het looien van dierenhuiden tot leer betekent.

Dezer dagen kunnen we reeds terugblikken op een hevige aanval van de winter, met sneeuw en ijs. Enkele weken was het weer "een winter van weleer". Het sprookjesachtige, besneeuwde land én de vervelende modderbrij die de dooi teweegbracht, liggen nu ook al achter onze rug. De komst van de lente - "Een nieuwe lente, een nieuw geluid" - kunnen we nu nog niet gaan verwachten, al kunnen er wel sprankels glanzen in sneeuwklokjes en crocussen. Maar nu en hier wil ik - beknopt en poëtisch - aan die dooi, die vooral waterige modder in de steden veroorzaakt, een gestalte geven, die van het helderste en puurste in de natuur: water. Ik koos het mooie, verbeeldingsrijke gedicht "Dooi" uit "Schaduw", de derde, "schoonste" (mag ook eens in het Zuid-Nederlands) en diepste dichtbundel van Alice Nahon (1896-1933), dichteres die ik sedert mijn kinderjaren in het hart draag dankzij de herhaalde voordracht van haar gedichten door mijn lieve moeder (Bertha De Meester, 1908-1990) en wier Verzamelde Gedichten ik een drietal keren, bij drie uitgevers (1983-'84, 1987 en 1996) heb uitgegeven en voorzien van een biografische inleiding én van een benadering van haar poëzie.

DOOI
------------

Zoals bij 't sneeuwen
die vlokken vervaard
weiger en trage
vallen op aard'
zo moeten alle
gedachten van ons
van uit hun hemel
van dromen en dons
dalen op aarde
waar alles dooit
wat sneeuwwit en droomrig
de dingen vermooit.

Drief is de dooi
maar als uitgeblomd
gesmolten bloeisel
gefilterd komt
na duistere reizen
door wijze grond
kristal is voor de ogen,
wijn voor de mond,
muziek voor de luisteraar,
drank voor de plant,
dan leer ik de lesse,
van dooi in 't verstand.

Dooi die de vlokken
tot wateren wijdt,
dooi, die ons wanen
tot werken gedijt,
spaar niet de dwepers
die midden 't geweld
vrezen dat God
hun gedroomsel smelt.
Geef ons klaar water
dat vloeiend verreint,
door smarten gefilterd
naar de harten fonteint.

Alice NAHON
(uit "Schaduw", 1928)

zondag 10 januari 2010

Mijn "utopische" wens: méér Schoonheid, méér Liefde!


In mijn vorige "aflevering" - weeral meer dan twee weken geleden - bracht ik een kerstboodschap voor deze (vooral geestelijk) zieke tijd... Met deze nieuwjaarsboodschap leg ik de nadruk op twee waarden, eerder nog voorwaarden voor een beter, mooier en leefbaarder leven: de Schoonheid en de Liefde. Ik schrijf deze twee woorden met een hoofdletter omdat ze mij (en hopelijk vele ànderen met mij) uiterst dierbaar zijn. Te midden van het extreem materialistische Westen, waarin hebzucht en geldzucht veel vergiftigen - naar een Engelse zegswijze "Greed has poisoned our minds" (hebzucht heeft onze geesten vergiftigd - blijf ik streven naar en verkondigen in gedichten en artikels hoe noodzakelijk en onmisbaar die beide begrippen en waarheden in de huidige tijd van taalontwaarding en begripsvervalsing wel zijn!

Blijkens veel persberichten, al dan niet elektronisch, zijn de ergste ondeugden van "onze" tijd - die steeds brutalere en gewelddadiger vormen aannemen, denk aan de moordenaar-leraar (!) van het Limburgse Loksbergen!- de ("eeuwige") jaloezie (of zachter: naijver), hebzucht en gewelddadigheid. Er is daar te weinig tegengif tegen gewassen in onze Westerse, christelijke "samenleving". Ik plaats meermaals dubbele haakjes ("..."), lieve lezer(es), omdat ik veel aanhaal en veel in vraag stel.

Toch moeten wij, volksverbonden Vlaamse en beter nog Nederlandse (Dietse) nationalisten, naast gelovige christenen, ons te weer stellen! De twee sterkste, aloude, Europese tegengiffen zijn nog steeds de Liefde (in haar diepste en ruimste betekenis, die ook erotiek en minnespel omvat!) én, evenzeer en met de Liefde verwant), de Schoonheid. Iemand vroeg me onlangs, na een lezing over de universaliteit van de kunst, welke mijn definitie van "kunst" (of hier: Kunst) is. Ik antwoordde gebald: "Kunst is gestalte van Schoonheid"). En hierbij kwamen me twee gedachten van Ernest van der Hallen (1898-1948) én van de al even revolutionaire Friedrich Schiller (1759-1805) voor de geest: "Dien uw volk in liefde en schoonheid" en "Das Schöne ist höher als das Gute. Das Schöne schliesst das Gute in sich!". En bij dat laatste denken we aan de schoonheid van de geest, van de zedelijkheid, van de beschaving, in één woord: aan de voornaamheid. Bij de volksnationalistische studenten- en jeugdbezieler Nest van der Hallen - die we opnieuw in zijn geboortestad Lier gaan herdenken op zaterdag 6 maart e.k.; ik bezorg een programma weldra...) komt de geestelijke (de ergste!) nood van zijn Vlaamse (juister: Nederlandse) volk op de voorgrond.

Ik zou mezelf niet meer zijn, als ik hier geen groot gedicht aanbracht, dat de Schoonheid tot het hoogste goed verheft en ook Liefde en Schoonheid in éénklank verenigt. Ik bedoel "Schoonheid" van de voornaamste Zuid-Nederlandse romanticus van de voorbije eeuw, Jozef L. de Belder (1912-1981), genoemd "Jef de Belder", volgeling van Ernest van der Hallen, zijn tweede vader! Jef, een dichterlijk geestverwant, noemt drie dichters, van de grootsten uit de wereldliteratuur, die ook mij bijzonder dierbaar zijn, waarachtig dichters van de Schoonheid. Lees en herlees, vriendinnen en vrienden, dit grote gedicht en begin je jaar in Schoonheid!

SCHOONHEID
---------------------

De zachte waanzin
van Hölderlin
en het vereenzaamd gedicht van Rainer Maria Rilke,
de tere illusies van Friedrich von Hardenbergh
die zich Novalis noemde --
dat waren, naast de visioenen van Hadewijch
en enkele Chinese dichters,
de stille dromen die eens mijn jeugd verinnigden tot een zwaarmoedig lied.
Maar dan zijt gij gekomen met uw vlechten haar en met uw stille handen
en met het diepe beven uwer leden toen in ons de vreugde
opsteeg tot het visioen dat overrompelend ons kwam omspoelen.
Doch gij waart de schone illusie die ik verliezen
zou, zodat alleen ik bleef in zachte waanzin achter
om dit alleen-zijn en ik weer Rilke opzocht, de stille man in zijn slot
van Wallis en de Chinezen met Li Taï Po dronken
aan het hoofd van hunne stoet. En sindsdien woon ik weer in de eenzaamheid van al hun klare woorden
die in mij oproepen herinneringen aan uw zachte leden
die voor mij zijn als verzen die zich statig-schoon bewegen
op 't bevend ritme van mijn bleke handen. En die brandenhien
voort de dagen door steeds in mijn moede geest; totdat verloren ik
ergens neer zal vallen midden een veld bloemen misschien of in de tederheid van een of andere avond in de herfst
als alle woorden dronken door mijn hoofd gaan woelen
en ik geen oplossing vinden zal voor hun te zware pracht.
Want ik... Ben ik dan een bezetene van schoonheid of van armoe
of van onwetendheid misschien, maar ook van vrees
dat ik nooit uit zal kunnen spreken wat zo diep nu in mij
leeft en in het ritme van mijn bloed en in het jagen
van mijn hart? Misschien waart het toch?...
Maar neen. Ik weet het. Maar nu weet ik het niet meer
en ik zwerf verder in mijn woorden en ik zie het einde niet
van deze zachte pracht van deze late herfst.

Jozef L. de Belder
(uit "De Gesloten Kamer, 1939)

vrijdag 25 december 2009

Kerstmis in een zieke tijd...!


Velen weten niet meer waaraan het kerstfeest zijn naam en zijn betekenis ontleent. Het is nu feestgedruis geblazen en dat volstaat voor de massa... "Ik wil niet meelopen met de grauwe bende, ik wil heroïsch leven en het burgerdom schuwen": dat schreef de voornaamste en rechtgeaardste van de studentenleiders en raadslieden, die Vlaanderen en de hele Nederlanden in de voorbije onheilseeuw rijk waren. De betekenis en de etymologische oorsprong van "Kerstmis" is heel duidelijk, al zal een groot deel van de luidruchtig vierende goegemeente je niet meteen kunnen antwoorden, als je hen daarnaar polst. Ik geef het daarom nog eens mee: "Kerstmis" ("Kerst" is een vernederlandsing van "Christus", het Griekse woord voor "de gezalfde") heeft zich ontwikkeld uit "Christus-mis" of "Christus-messe", dus de mis (eucharistieviering) in de naam van Jezus Christus. Dat is ze wel altijd, maar het woord wordt hier gebruikt voor het herdenkingsfeest van Christus' geboorte. Het Engels heeft hetzelfde woord, "Christmas", terwijl het Duits verwijst naar de wijding van dit feest: "Weihnacht".

Juist dat wijdingsvolle, dat gevoel, die intuïtie voor het sacrale is uit de grotendeels geprofaneerde samenleving van deze tijd (tweede helft 20ste en 21ste eeuw) weggeëbd, maar ook met opzet verdrongen en verdreven. Toch doet zich de jongste tijd een schuchtere heropleving van die zin voor wijding en eerbied voor, in én buiten de grote godsdiensten, met name de katholieke Kerk. Daarnaast is ook het oude Germaanse Joelfeest of de Winterzonnewende zich blijven handhaven. Maar dit alles botst, evenals het al tientallen jaren herlevende volksnationaal bewustzijn, hard tegen het onbegrip en de onverschilligheid die het harde materialisme en de verregaande onwetendheid van deze zieke tijd hebben meegebracht. De commercie, die al het waardevolle, het geestelijk gerichte, het hogere heeft verdrongen of gebanaliseerd, heerst over de Westerse, Europese en Amerikaanse samenleving. Onze tijd lijdt aan een zware, besmettelijke ziekte! De slaafse en burgerlijke mentaliteit van een groot deel van de Europeanen is de beste voedingsbodem voor deze kwaal van cultuurverval. Eén van de ergste fouten en nalatigheden is het volkomen in gebreke blijven van de belgische -en in dat versleten spoor ook de "Vlaamse"- overheid.

De hevige sneeuwval en de vrieskou die de voorbije tien dagen, in feite nog vóór de eerste winterdag (21 december), Europa teisterde, hebben in Vlaanderen (Brussel inbegrepen) en Wallonië een zeer fundamenteel-chistelijk én gevoelig-humanitair probleem weer op de voorgrond gebracht: de levensbedreigende nood van de daklozen! Voor deze mensen, die door de hoogste materiële nood worden getroffen en bovendien nog de pech hebben dat het barre winterweer juist in de kerstvakantie valt, stelt niemand "minder" dan Albert II, de Coburger, twee van zijn appartementen in de Ardennen (...) ter beschikking van daklozen... De belgische, volksvreemde vorst suggereert daarmee niet minder en niet meer, zij het op subtiele wijze, dat de eigenaars van twee verblijven in koude dagen hun hart zouden opstellen... Eén van zijn (haar) twee (of méér) verblijven openstellen voor daklozen en noodlijdenden is een te waarderen gebaar, maar toch blijft de schijnheiligheid van onze, nog enkel bij naam "christelijke", maar zelfingenomen en burgerlijke samenleving samenleving, hier overeind. Hoe rijker veel zelfingenomen "senioren" (+ 55...?) worden, des te minder begrijpen ze waar het écht om gaat, zoals de tegenover de Vlaamsgezinden niet al te vriendelijke Jacques Brel terecht zong: "Les bourgeois, c'est comme des cochons, plus ça devient vieux, plus ça devient bête..."

Over deze "belgische" vorst (of "hansworst") lees ik in mijn elektronische brievenbus een schampere "visie" van ene Bart Caron, die ik kan beamen, al is mijn "benadering" van die Duitse franskiljon merkelijk negatiever en vijandiger (en dat op kerstavond...!): "De koning daarentegen kan zijn twee appartementjes wellicht wel missen in de kerstdagen. Hij heeft hier en daar nog een bescheiden stulpje staan, zelfs een drijvend onderkomen. Een beetje sympathie winnen bij de belgen kan trouwens nooit kwaad. Met dank aan de daklozen! In het koninklijk paleis zelf is er ook nog een beetje plaats. Dat zijn redelijk propere zalen, goed verwarmd en nog tamelijk groot. Dan hoeft Pieter De Crem de moeite niet te doen om kazernes open te stellen, al zijn die 320 legerbedden ook wel nuttig. Die zullen wel Spantaanser zijn zijn. Onderrussen kunnen de daklozen ook terecht in stations. Die sluiten niet op feestdagen....

Als tegengewicht tegen al die belgische hypocrisie, uitgegalmd, plaats ik het sterke gedicht van de Dietse dichter en voorman Wies Moens:

INCANTATIO---------------------

Van al het echte, nu zo ruw vertrapt,
al 't grote dat men rukte neer,
het goed' en schone, wredelijk ontluisterd,
wil ik steeds weer
de zegger zijn.
Terwijk ik d'oude, heldre namen spreek
van wat er ligt vertreden en beschadigd
zal keer aan keer
het Leven zich 'oprichten
uit den doem der eeuw:
een schip dat tilt z'n boeg
boven het schuim;
de boegfiguur
geheel van goud en morgenlijk azuur.

Moge voor mijn volksbewuste, Dietse en nationalistische vriendinnen en vrienden het jaar 2010 ons een eind verder voeren op de weg naar Zuid-Nederlandse onafhankelijkheid, stapsteen naar de hereniging der gescheiden Nederlanden, in een Heel-Nederlandse Volksstaat!

maandag 7 december 2009

"Kerstliederen van bij ons" zingen in Sint-Andries


Vorige dinsdag, 1 december, schoot de wintermaand, kerst- of joelmaand uit de startblokken. In een kille, donkerende, late herfstsfeer. Velen en zeker de grote massa, "beleeft" deze maand enkel en alleen als een feest- en geschenkenmaand. Ze herleiden het kerstfeest tot een eet- en cadeau-festijn. Anderen, niet zo talrijk, trachten de kerst- en de oudejaarsdagen, evenals de Winterzonnewende omstreeks de 21ste van deze maand, zinvol te beleven. Dat er nood is aan verandering, aan het verdrijven van het materialisme, van de zucht naar praal en zelfbevestiging beginnen jongeren en met name vele hoogstudenten en scholieren steeds meer te beseffen. Een sterk voorbeeld is het Gentse KVHV (Katholiek Vlaams Hoogstudentenverbond), waarin zich een authentieker christendom en katholiek geloof verenigt met een radicaal Vlaams- of juister Nederlands volksnationalisme, een drang naar samenhang met volksbewegingen in Rusland, Oostenrijk en bij andere kleinere volkeren, zoals de Baltische landen.

Belangrijker is het -zo lange tijd- verminkte en vervalste volks- en nationaal bewustzijn in Vlaanderen (het Zuiden) en Noord-Nederland: in hun artificiële taal houden neo-belgicisten als Wimpie de Vilder, Martine Tanghe en de jongere meiden en jongens niet op tientallen keren in één minuutje het woordeken "belgië" uit te spreken en dat dan voortdurend als "ons land" te herhalen. De besmettelijke ziekte, die "belgië" heet (zelfs een grote leider als Joris van Severen werd er door aangetast (binnen zijn "Diets" rijk natuurlijk...?). Maar nu is het veel erger en veel dommer. De léégte heerst en belgië is daar de incarnatie van!

Om de aloude Vlaamse innigheid én de vrolijkheid van de kersttijd opnieuw te beleven, als tegengif tegen de vervreemding, de woekerende verengelsing en amerikanisering, hebben de "Antwerpse Kunstvrienden" en de Elza Vis De Clercq-stichting, opgericht door de Noord-Nederlandse concertzanger Pieter Vis (Houten, bij Utrecht) voor de tweede maal een Adventsconcert, met "kerstliederen van bij ons" op het getouw gezet. Dit veelbelovende concert vindt plaats op zondag 20 december (laatste zondag van de Advent: "Rorate caeli)

Onder leiding van Pieter Vis zal dit concert, met zowel instrumentale kerstmuziek als die oude, ontroerende liederen uit de late middeleeuwen en later: "Nu sijt wellecome", "Maria die soude naer Bethlehem gaen", "Herderkens van buiten" en zo vele andere "leysen" weer onze oren strelen en de herrie, de waanzin van deze hysterische tijd even doen vergeten! Dat uitzonderlijke concert kan je bijwonen in de stijlvol gerestaureerde Sint-Andrieskerk, vlak bij de Nationalestraat in Antwerpen, op een boogscheut van de Groenplaats en van de voetgangerstunnel. Minnaars van die oorspronkelijke Vlaamse (en Noord-Nederlandse) kersttraditie roep ik op om te komen naar de kerk van de "parochie van miserie", zoals Lode Zielens ze in zijn "Moeder, waarom leven wij?" treffend tot een lang, geboekstaafd leven riep.

Kaarten in voorverkoop kan je bekomen door storting van de spotprijs van 10 eurootjes op rekeningnummer 737-0246433-96 van "Kerstconcert 2009", met vermelding van naam en adres. In die 10 € is het programmaboekje inbegrepen, maar dit tot donderdag 10 december; nadien wordt de toegangsprijs 12 €. - Wie meer wil weten, kan terecht bij: Mia Brans-Dujardin (tel. 03/230.24.62; e-post: mia.dujardin@scarlet.be, Hector van Oevelen (tel. 0472/82.10.99; h-vo@hotmail.com).

Zoals laatstgenoemde, mijn Pallieterke-collega al schreef: "U zijt wellekome!".

dinsdag 10 november 2009

Boekenbeurs in Antwerpen: massa's kaf en weinig koren!


Ik heb mijn stuk over de boekenbeurs in Antwerpen wat lang laten liggen, door veel ander "geschrijf" (gedichten, artikels voor 't Pallieterke....). Ik verschuif mijn werkwoorden dan maar naar de verleden tijd! De beurs is momenteel aan haar laatste dagen toe!

Het liep weer storm voor de zoveelste boekenbeurs! Belangstelling, passie en bewondering (het oog moet ook wat krijgen) zijn een goede zaak. Er worden gedurende de twaalf dagen dat de beurs loopt in het Bouwcentrum aan de Jan van Rijswijcklaan 170.000 bezoekers -van wie een klein deeltje kopers- verwacht. Zo'n vaart liep het (weer) niet. Het feit dat nog heel wat "Vlamingen", juister Zuid-Nederlanders, boeken inkeken, doorbladerden, streelden (bijna zo intens als bij een lieftallige vrouw...) en soms kochten, was en is een héél goede zaak en een tegengif tegen de verdwaasde belgicistische kwelbuis! Toch was ook die boeken-kijkbeurs allesbehalve een "beurs voor het 'Vlaamse' volk. Bij de organisatoren, nu domweg "BOEK.BE" geheten, is het "politiek-correcte" gif te ver doorgesijpeld: bepaalde, dikwijls uitmuntende uitgevers én hun niet-correcte auteurs worden op die beurs de deur gewezen. Zo vind je uiterst weinig volksverbonden - van consequent-Vlaams(of Heel-Nederlands)-bewuste tot rechts-nationalistische auteurs op die beurs. Naar werk van dichters als Blanka Gyselen, Ward Hermans, Wies Moens, Jos Vinks, Ferdinand Vercnocke en mezelf is het zoeken als naar een naald in een hooiopper... Zo zal je mijn jongste dichtbundel "Gebleven is de Adel", prachtig uitgegeven door de - "niet erkende"- Werkgroep Kultuur en Wetenschap in Antwerpen, nergens en nooit aantreffen. De bundel werd voortreffeljk ingeleid door dichteres Aleidis Dierick uit Aalst, van wie je werk vindt bij de Leuvense Uitgeverij P. Zij is momenteel één der grootste dichters in de Nederlanden, maar haar jongste bundel "De onbeantwoorde brieven" gaf zij uit bij de totaal incorrecte uitgeverij "Egmont", afhankelijk, welja, van het Vlaams Belang....

Ook incorrect, maar niet anti-belgisch is één "Poëzie-nocturne" die op dinsdag 10 doden- of slachtmaand plaatsgrijpt in de oranje zaal, op de tweede verdieping van het Bouwcentrum. Enkele collega's van me, o.a.de Doel-dichters Mark Meekers, Frank De Vos, Willem Persoon, Bert Bevers bepleiten het spreekrecht voor Doel en zij bezingen, bitter én weemoedig, het stervende, historisch waardevolle en tóch door de "bende Kris Peeters" (= de "Vlaamse" regering) bedreigde en reeds grotendeels verwoeste Schelde dorp. De regimepers en de betere pers zouden daar "met z'n allen" moeten verschijnen. Maar we weten wel beter, hoe alles hier wordt gemanipuleerd en verdonkeremaand!!

Vlaanderen, in wezen Zuid-Nederland, heeft dus geen eigen, Nederlandse boekenbeurs. De Zuid-Nederlandse Vlamingen (van het oude, grote graafschap), Brabanders (van het zuiden van het oude hertogdom) en Limburgers kunnen én mogen dus de échte waarheid en werkelijkheid niet of nooit vernemen. Alleen de kultuurbewuste, "Vlaams"- of Nederlands-bewuste, dénkende flaminganten en nationalisten - een groeiende, vrij grote groep, weten dat en bedenken dat terwijl ze toch ook - ver van "eng" dus - die belgische beurs bezoeken. Of dat alles ooit eens zal veranderen, zal de toekomst uitwijzen. In vele artikels, gedichten en voordrachten, zal ik dat blijven duidelijk maken!

Ik besluit met een kwatrijntje over die beurs, uit mijn jongste dichtbundel, "Gebleven is de Adel". Het stamt nog uit de "oude tijd", toen ik nog over de - toen nog niet zo verengde boekenbeurs moest schrijven voor de - toen nog niet zo "ondraaglijk lichte", gebanalizeerde en geïnfantilizeerde - Gazet van Antwerpen, nu een echt frutje.

Boekenbeurs Antwerpen
-------------------------------------
De stroom van kijkers, kopers, snuffelaars te eind,
het boekenfeest van vele dagen weer besloten.
Voor mij een arbeid: schrijven over schrijvers, onverdroten.
Wat blijft uit dit massaal bedrijf aan wijsheid overeind?

Wie belangstelling heeft voor mijn "inkorrekte" bundel 'Gebleven is de Adel', kan die nog bij mij bestellen, door storting van 20 euro (+ 1,5 euro verzending) op rek. nr. 979-6189 508-40 (Argenta)Verstraete (Jos Ratinckxstraat 17, 2600/ Berchem (Antwerpen)). Dit boek is een uitgave van WKW (Werkgroep Kultuur en Wetenschap. Ze bevat 63 gedichten uit de periode 1982-2004), een zéér inlevend en waarderend 'Ten Geleide' van de grote Vlaamse (Nederlandse) dichteres Aleidis Dierick.
Borms Van Severen Van Wilderode Verschaeve Dietsland