maandag 5 juli 2010

Ballade van de IJzerbedevaart


In Anton van Wilderodes "Het tweede jaargetijdenboek" (1987) vind ik verscheidene heel mooie juli-gedichten, maar toch wens ik, een zevental weken van tevoren, al vooruitblikken op onze negende IJzerwake in Steenstrate (bij Ieper), op zondag 22 oogstmaand, om 11 u. Ik doe dit met mijn "Ballade van de IJzerbedevaart", terug te vinden in mijn jongste dichtbundel "Gebleven is de Adel" (blz.32-33). Voor mijn volgende Utopia beloof ik enkele bekoorlijke juli-gedichten!

BALLADE VAN DE IJZERBEDEVAART
--------------------------------------------------------
I Ooit gaf de stoute strijd aan 't IJzerfront
aan dit ontzielde volk een klein geweten.
Door 't offer van de ridders-frontsoldaten vond
een kleine schaar de weg naar het verlaten veld.
De staatse haat ontstak een broeihaard van geweld.
Een bedevaart deed stap voor stap belijden
de Dietse eigenheid die in de storm der tijden
werd neergedrukt, misvormd en uitgeteld.
Toen kreeg die kleine kern een goed gezag
van volksgetrouwen, die zich schaarden
aan de zijde van de kleinen, de gewijden
door eenvoud en verdriet. Dat waren àndere tijden.

II. Maar weer bleek 't lot 't arm Vlaanderen niet genegen.
Ten tweeden male leidde een wereldbrand
de besten van ons volk weer op verdeelde wegen.
De staat keek grijnzend toe en greep de kans
om volkscultuur en eigenheid te slaan,
te wurgen in zinnebeeld en trouw aan idealen.
De zuivere toren mocht niet blijven staan.
Hij moest en zou de harde tol betalen,
die de vijandige staat weer eisen dierf
van 't lam geslagen en verscheurde volk.
Geen toren kan bij nacht de haat weerstaan:
de daders konden ongestraft hun gangen gaan.

III Voor 't zuidelijk Nederland rees zwart de tijd:
zijn "Zwartboek" schreef Wies Moens, heen ging Verschaeve,
monddood werd 't Dietse Vlaanderen, wijl de staatse nijd
de trouwen nedersloeg. Maar als een goddelijke gave,
in nood en fel verweer, stond weer een kleine schaar
voor nieuwe arbeid klaar: de toren moest herrijzen.
Trots en verbeten stonden, wist Van Wilderode,
Vlaanderens vendels, van nieuwe tijd voorbode.
De bedevaarten brachten velen op de been.
Volk en leiders gingen eindelijk beseffen
de echte nood van 't land en steen na steen
herrees de ranke toren en niemand zou verheffen
een stem van onbegrip. Geen wanklank viel te horen.
Alleen nog geestbederf kon deze opgang storen.
Ontrouw en eigenbaat tastten toch "leiders" aan.
Het volk, verward, kon geen bedrog verstaan.
't Vergif was uitgestrooid door eigen "leiders".
De harde tweespalt viel niet meer 't ontwijken.
Wie zorgt voortaan voor schoonheid en voor volkse trouw?
Een nieuwe, Dietse kern zal waken en herijken!

maandag 14 juni 2010

Theo, Pim, Ayaan

Een dikke twee maanden geleden, bij het openbarsten van de lente, ontving ik een ontroerend liedje, mooi geschreven en heel treffend ingaand op enkele dramatische gebeurtenissen die Nederland, het Nederlandse volk van Noord en Zuid of Vlaanderen, nog steeds door een volksvreemd belgië bezet, teisterden en velen opschrikten. Ik ontving het via een e-bericht van "Heimdal-Vlaanderen", een Noords-Germaans gerichte organisatie. De dramatisch gebeurtenissen heb je reeds kunnen afleiden uit de titel: de laffe en wreedaardige moorden op de politicus en schrijver Pim Fortuyn (6 mei 2002) en op regisseur en programmamaker Theo van Gogh (2 november 2004) én het uitwijken van de door moslim-fanatici met de dood bedreigde Ayaan Hirsi Ali, Nederlandse politica en schrijfster! Zij vluchtte naar de VSA, in de overtuiging dat zij daar veilig zou zijn...In (staats)Nederland zorgde deze Somalische schoonheid met veel feministisch lef voor de nodige opschudding door haar ongezouten kritiek op de (extreme) islam en op de stichter van deze woestijngodsdienst, Mohamed, die zij een "perverse tiran" noemde, verwijzend naar diens seksuele omgang met een meisje van negen, dat zijn "vrouw" moest zijn. Met scherpe uitspraken van die aard was haar vlucht naar de VSA wel aangewezen.

Als we het leven van dit fameuze trio lezen, bekruipt ons inderdaad een gevoel van gemis, van weemoed ook. Dàt verwoordde de (staats-)Nederlandse liedjessschrijver Marc De Koninck twee jaar geleden. Misschien zegt het de massa "belgische" flaminganten nog iets? Dreiging en terreur van de moslim-fanaten zijn in dit apenland nochtans even erg! En ten slotte': de enige, sterkere weg naar de toekomst is die naar de hereniging met (rijks-)Nederland, zeker in de (toenemende) strijd tegen de islamizering!!

Theo, Pim, Ayaan
----------------------------

Als ik in m'n polderland ben
Bekruipt me daar iets ongewis
Het land waarmee ik zo verwant ben
Doet me bedenken wat ik mis.
't Zijn een paar mensen die ontbreken
In Nederlands publiek domein.
Ze zijn vermoord of uitgeweken.
Dat dat in Holland zo kan zijn.
'k Zie hoe 't maaiveld weer intact is,
Nadat vakkundig alles wat er bovenuit stak afgehakt is.
Nooit was m'n polderland zo plat.
Ik mis Theo, ik mis Pim, ik mis Ayaan:
Theo, Pim, Ayaan.
Nu komen de opruiende geluiden
Alleen nog van die ene weetje wel:
't Rechts orakel uit het zuiden,
niet bepaald mijn soort rebel.
Toch is het ongetwijfeld waar dat
Die man beschikt over talent.
Soms denk ik: als ie ander haar had
werd ie minister-president!
Zo'n keuze zou het land wel passen.
Wat zijn we plat, wat zijn we klein!
Ik zie de kleur, ik zie de klasse
van hen die uitgeschakeld zijn.
Ik mis Theo, ik mis Pim, ik mis Ayaan:
Theo, Pim, Ayaan.
'k Weet dat Amerika berucht is
In Hollands progressieve scene.
Maar dat Ayaan daarheen gevlucht is
Geeft hun te denken nu mischien.
Want de polder vindt zichzelf geweldig,
O zo democratisch maar voor mij
Zijn geen verkiezingen meer geldig
Zonder die drie van de partij.
O nee, je zult van mij niet horen
Dat alles nu maar stil moet staan.
't Is 't gemak dat mij kan storen
Waarmee we zomaar verder gaan.
Ik mis Theo, ik mis Pim, ik mis Ayaan:
Theo, Pim, Ayaan.

Tekst en muziek: Marc De Koninck Copyricht: C 2008

dinsdag 1 juni 2010

Jongeren steunen Alexandra's strijd voor het Leven!


Al kreeg zij van het partijbestuur van het Vlaams Belang een minder kansrijke plaats toegewezen, met name als lijstduwer voor de Kamer, toch gaat juist nu Alexandra Colen de uitdaging aan, neemt zij het figuurlijke zwaard in de hand en bindt zij de strijd aan tegen de de "pedofiele mentaliteit", die tot bij kerkelijke gezagdragers is doorgedrongen. Mij komt onontwijkbaar "de heilige van Domrémy", de grote strijdster voor het zuivere christelijke geloof én voor Frankrijk (tegen de Engelsen), Jeanne d' Arc, voor de geest... Alexandra kent me als dichter en zal het me niet euvel duiden... De huidige houding van laksheid, van verregaande toegeeflijkheid op zedelijk, cultureel en geloofsgebied neemt zij zwaar op de korrel. Voor haar is de strijd voor onze Westerse waarden - zoals die in wezen zijn en blijven - een strijd tegen de "cultuur van de dood"!

"Normale gezinnen - vaders en moeders en kinderen, die trouw zijn aan elkaar - wie spreekt er nog voor hen?", zo stelt deze weerbare, Vlaamse politica. Binnen de belgische politieke en politiek-correcte profiteursbende én al even erg binnen de katholieke Kerk is er blijkbaar geen tweede witte raaf te vinden zoals Alexandra Colen! Maar er schijnt licht in de duisternis. Onder de titel "Met de Overlevenden naar Scherpenheuvel" meldde zij haar vrienden op donderdag 20 mei het volgende: "Er is een nieuwe generatie opgestaan? Plots merk ik dat dat tussen de parlementaire stageairs en de jonge personeelskrachten van de partij (VB) overtuigde en bezielde christenen zitten die zonder schroom uitkomen voor hun geloof. Ze contacteren mij, bieden zich spontaan aan om campagne te voeren en zeggen: 'Alexandra, we gaan naar Scherpenheuvel. Om voor jou te bidden en jouw folders uit te delen aan de bedevaarders.'"

"En dus", zegt Alexandra dan, "ga ik op pinkstermaandag, in deze meimaand, "campagne voeren" aan de basiliek van O.-L.-Vrouw. Wie zich geroepen voelt om mee te komen, hij kome. De zon zal schijnen."

Wat zij verder met nadruk vermeldt, verdient nu weer alle aandacht: "Daar sta ik dan, voortgestuwd door enthousiaste twintigers. Zij noemen zich de "overlevenden". Ze zijn even oud of iets ouder dan de Belgische abortuswet (1990). Het zijn jongeren die beseffen dat ze allemaal geaborteerd hadden kunnen worden als hun ouders dat hadden gewild. We staan er als ouderen niet bij stil, maar blijkbaar tekent dat een generatie. De moederschoot is vandaag de gevaarlijkste plaats ter wereld. Elke twaalf dagen sterven er in de EU meer kinderen door abortus dan mensen in het verkeer heel het jaar door. Elke jonge mens, geboren sinds 1990 is een overlevende.

Scherpenheuvel is niet mijn kiesdistrict, maar het ligt wel op de grens ervan. We gaan de boodschap brengen van de STEM VOOR HET LEVEN. Of mensen voor me kunnen stemmen of niet, is niet belangrijk. Als ze maar worden wakker geschud. Dat ben ik verschuldigd aan de overlevenden. - En als ik herkozen word, beloof ik hun, begin ik een gebedsgroep in het parlement (!) Met politici, parlementaire medewerkers en personeel van Kamer en Senaat. Er waait een nieuwe wind, er heerst een nieuwe geest, een nieuwe generatie drukt haar stempel. Vlaanderen vrij, weg met de Belgische rottigheid. De jeugd verlangt naar een nieuwe staat - een zuivere staat."

Een oproep die kan tellen. Nog vóór wij Alexandra steunen in het stemhokje, roept zij ons op om samen te komen aan de basiliek van Scherpenheuvel op maandag 24 mei, vanaf 10 u.

zaterdag 8 mei 2010

"Volk, word staat!"


Tegen de laffe en schandelijke uitstel-manoeuvers van de "uittredende" belgische regering om het parlement buiten spel te zetten voor het stemmen over en het noodzakelijke goedkeuren van de splitsing van B.H.V., klinkt de jongste weken weinig verweer vanuit de makke Vlaamse Beweging. Er was alleen de brave betoging van 22 april jl. in Vilvoorde. Om de lezers van deze blog, naar ik hoop overwegend Vlaamse en beter nog Dietse nationalisten, weer een beetje moed te geven en dat op een dichterlijke en dus heel directe wijze, laat ik de stemmen van twee radicale geestverwanten en vrienden weerklinken: Anton van Wilderode in zijn beroemd lied "Volk, word staat!" (muziek van Herman Elegast, IJzerbedevaart 1984) en de Waaslandse houtsnijder Wim De Cock in zijn felle satire "Een vaderland om in het hart te dragen".

VOLK, WORD STAAT!
------------------------

Volk, word staat, word Vlààmse staat,
doe de kansen keren,
weer wie u met slechte raad
om de wille van de baat
averechts regeren,
zoveel slechte heren!
Volk, word staat, word Vlààmse staat,
dop uw eigen bonen,
vecht zo lang uw hart nog slaat
tot het vaderland bestaat
waarin straks uw zonen
beter zullen wonen!
Volk, word staat! De oude eis
nu in de felle gebiedende wijs!
Eindelijk, eindelijk eindigt de tijd
van uw beschamende horigheid.
Eindelijk neemt gij het lot van uw land
stevig in eigen hand!
Volk, word staat, word Vlààmse staat
om als volk te leven.
Nacht die naar zijn morgen gaat,
morgenlicht en dageraad,
dag die onbeschreven
ons wordt toegegeven!

Anton van Wilderode

-----------------------------------------------------------

Meer dan twintig jaar later is de ellendige doodsstrijd van deze haat- en on-staat nog altijd niet ten einde. Ja, we weten het, de "Vlamingen" - een verzameling van Vlamingen, Brabanders en Limburgers, van wie er nog altijd weinigen beseffen dat wij Nederlanders zijn! - zijn een laf en dom-bedrogen volkje. Met de jongste politieke clownerieën hopen we nog altijd dat zij tot het besef zullen komen dat deze staat de put in moet, diep onder de grond! Lees maar het volgende, sterk gedicht van spotdichter, poëzievertaler en houtsnijder Simon Schamp, een volgeling van Anton van Wilderode!

EEN VADERLAND OM IN HET HART TE DRAGEN
--------------------------------- --------------------

Dit is het vaderland waar men geen schaamte kent.
Waar normen even snel als damp vervagen.
Waar diefstal en corruptie ongeremd
De oorzaak zijn van stijgend onbehagen.
Dit is een vaderland om in het hart te dragen.
Dit is het vaderland waar men de wetten stemt
om tegenstanders te belagen.
Waar men belastert, broodroof en de rechten schendt
Van hen die heel terecht om uitleg vragen.
Dit is een vaderland om in het hart te dragen.
Dit is het vaderland waar elke vreemde delinquent
Met vrucht en onbevreesd, zijn kans kan wagen.
Waar hij wordt opgevangen en verwend,
Tot aan het einde van zijn dagen.
Dit is een vaderland om in het hart te dragen.
Dit is het vaderland waar elke zuurverdiende cent
Met zorg wordt nagepluisd en aangeslagen.
Waar vorst en paladijnen, permanent
Als ratten aan de staatskas knagen.
Dit is een vaderland om in het hart te dragen.
Dit is het vaderland. Dit is de circustent,
Waarvan wij hier met schroom gewagen.
Het rotversleten monument.
De ergste van de zeven plagen.
Dit is het vaderland dat wij ten grave dragen.

Simon Schamp

dinsdag 27 april 2010

"Het wemelt in de mei van blonde kleinen..."


Van de twaalf maanden is de bruisende bloeimaand mei wel de mooiste en de meest inspirerende, al zijn ook de weemoedige nazomer- en herfstmaanden september en oktober niet te versmaden in de poëzie en in de beeldende kunst. Op letterkundig gebied krijgt de komende meimaand wel een heel bijzondere betekenis: op de eerste van mei 1830 - vreemd genoeg ook het rampjaar van de "belgische" (= Waals en Frans uitschot) muiterij tegen koning Willem I van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, die de scheiding van dat, ons land, teweegbracht... - werd dé prins van de hele, moderne Nederlandse poëzie, Guido Gezelle, geboren in het glorieuze, historische Brugge! 180 jaar geleden dus. Op de 31ste van diezelfde bloeimaand overleed in Antwerpen één der grootsten van onze moderne Nederlandse literatuur: Willem Elsschot (1882-1960), de sarcastische, ironische hekelaar en de rebelse, gevoelige dichter!

Gezelle - die, nog geboren tijdens de regering van onze Nederlandse koning Willem, later weliswaar géén Groot- of Heel-Nederlander werd zoals Jan Frans Willems, Ferdinand Snellaert of Prudens van Duyse -bezong de bloeimaand zoals weinig anderen, veelvuldig en fascinerend mooi. Zeg maar luidop zijn volgende beginverzen van enkele meigedichten: "De kerzelaar zijn trouwgewaad/ heeft aangedaan;/ vandage moet hij, meidag is 't,/ ter bruiloft gaan." en " 't Was in de blijde mei,/ ei, ei,/ 't was in de blijde mei!"/ En, komend achter 't land gegaan,/ 'k zag al de blijde blomkes staan:/ 't was in de blijde mei,/ ei,ei,/ 't was in de blijde mei!" Het eerst geciteerde gedicht komt uit de bundel "Rijmsnoer" (1897) en het tweede uit de mooie, speelse en sterk "verdichte" "Kleengedichtjes" (1858-'59). Gezelle was een romantische natuur, bij wie de neerslachtigheid (depressiviteit zegt men nu) hevig afstak tegen de blijde, opgewekte en vrolijke dagen die hij - zij het in mindere mate - ook beleefde. Denken we maar aan het beroemde gedicht: "Ja, daar zijn blijde dagen nog in 't leven,/ hoe weinig ook, daar zijnder nog voorwaar...", uit de ontroerende bundel "Gedichten, Gezangen en Gebeden" (1860). Er zijn wellicht duizenden gedichten en liederen geschreven, getoonzet, gezongen door het volk, die de zalige bloeimaand mei oproepen en prijzen en ze meermaals ook met de liefde de Minne en met erotiek verbinden. Ik noem er nog enkele uit de Duitse poëzie, zoals dat van de grote laat-romanticus en spotvogel Heinrich Heine (1797-1856): "Im wunderschönen Monat Mai,/ als alle Knospen sprangen,/ da ist in meinem Herzen die Liebe aufgegangen...; het heerlijke "Mailied" van Goethe: "Wie schön leuchtet mir die Natur,/ wie glänzt die Sonne,/ wie lacht die Flur..." en dat van de vroeggestorven, zalige lied-dichter en zanger Novalis (= Friedrich von Hardenberg, 1772-1801): "Es färbte sich die Wiese grün,/ und um die Hecken sah ichs blühn...". Dat gedicht, vervuld door natuurverrukking heb ik vertaald en opgenomen in mijn jongste dichtbundel "Gebleven is de Adel" (2006): "De weide kreeg een groene glans/ En om de hagen was de bloei één dans..."

Eénvoudig en ontroerend is het lied "Het wemelt in de mei van blonde kleinen nabij de veldkapel", een gedicht van het Limburgse "Pasterke Cuppens", waarvan ik de eerste woorden als titel koos. Mij komt nu dat liefelijke lied vanuit mijn kindertijd voor de geest: "Het wemelt in de mei van blonde kleinen, nabij de veldkapel. De toppen van de grote linde deinen, nabij de veldkapel. Maria hoort de zoete melodieën der boerenkinderen en der honingbieën. Ave, Maria; Ave, Maria."

In de inleiding tot dit stuk verwees ik naar de tweede meester van onze moderne letterkunde na Gezelle - Streuvels en Van de Woestijne even buiten beschouwing gelaten: Willem Elsschot. Bij hém, die een overtuigd flamingant én een handig-lijmend zakenman was, kom ik terug in één van de volgende afleveringen van mijn Utopia. In de loop van de komende weken van mei zal ik een ruim artikel aan hem wijden en daarbij ook zijn onvolprezen Borms-gedicht aanhalen.

Deze "aflevering" besluit ik nu met een eigen Gezelle-gedicht, uit mijn poëtisch debuut "Verloren Land" (1981):

"Guido Gezelle, kind van Brugge en van mei"
--------------------------------------------------------------

Een meikleed, moederlijk en mild,
Maakt Brugge plots tot zuidelijke stad.
Met zalig lentegoud wordt alles overgoten
Alsof dit land geen oude pijn meer had.
Dit heilig schrijn, dit gotisch pronkjuweel,
Droeg eens, in mei, zijn wonderbaarste kind.
Een heldere stem uit vuriger tijden,
Een bloesemend, een orgelende wind.
De zanger bleef een kind, dat de geheimen wist
Van bloemen, vlinders, vogeltaal.
Hij schreide om abelen in de herfstelijke dreven
En zong zijn lied het zuiverst met de nachtegaal.
En als de mei haar bloesems sneeuwde,
Ontvouwde zich zijn hart naar 't zonnelicht
Als waterlelies op een rimpelloze vijver.
Dan schreef hij voor de Hoge Vrouwe 't lieflijkste gedicht.

(Bloeimaand 1980)

zondag 11 april 2010

Herman van den Reeck in het Bormshuis


Kille maartse buien op de 20ste dag van die maand, maar binnen in het Bormshuis, aan de Volkstraat 30 in Antwerpen, deed het deugd aan mijn Vlaamse, beter Dietse hart, die enorme toeloop van nationalistische vrienden, bekenden en kameraden, onder wie heel wat geestverwanten uit het Algemeen Diets Jeugd (Jongeren) Verbond (jaren 1950-'60), voor de opening van de tentoonstelling "Herman van den Reeck, een zoeker in woelige tijden". Vanwaar dat Dietse aspect? De gastspreker was Paul van Caeneghem, oud- en trouw lid van het Algemeen Diets Jeugdverbond (vanaf 1961: "Jongerenverbond"). Hij was uitgenodigd door de voorzitter van het Bormshuis, Bob Hulstaert, zelf ook leider van het ADJV, zij het iets vroeger. Herman Van den Reeck, die op 11 juli 1920 de leeuwenvlag van de Vlaamse meisjesbond "Klimop" wilde beschermen tegen een al te brutale politieagent, werd prompt neergeschoten op de Antwerpse Grote Markt. Twee dagen later stierf de 19-jarige jongeman. Naast enkele vervolgde en opgesloten aktivisten, was van den Reeck een vroege Dietser, een Heel- of Groot-Nederlander. Hij was één van de vele, Vlaams- en Nederlandsgezinde slachtoffers van deze anti-volkse, anti-Dietse en Noord-Franse staat....

Bormshuis-voorzitter Bob Hulstaert en archivaris Lieve van Onckelen hebben onder deze geruchtmakende tentoonstelling (reeds de 38ste in het Bormshuis sedert 1993) hun schouders gezet en er een waardevol getuigenis over deze rebelse, vredelievende en verbeten nationalistische "martelaar van de Vlaamse Beweging". Er zijn hier heel wat kostbare stukken, handschriften, foto's, vlaggen, boeken en andere documenten te bekijken en te bewonderen. Pronkstuk is zeker de prachtig bewaarde leeuwenvlag van de Katholieke en Vlaamse Meisjesbond Klimop. Daarvoor schoot een Antwerps politieagent hem genadeloos neer. De verantwoordelijke burgemeester, Jan de Vos bleef laffelijk afwezig en liet de verantwoordelijkheid over de grootse en geestdriftig-flamingantische 11 juli-betoging, die hij had verboden, terwijl ze in Borgerhout was toegelaten, over aan de franskiljonse schepen Strauss, die het bevel gaf om de Grote Markt te ontruimen én met scherp te schieten. De storm van verontwaardiging over die belgische misdaad tegen een weerloze Vlaming leidde tot een versnelde radikalizering van de Vlaamse ontvoogdingsstrijd. Dat gebeuren en daarna de indrukwekkende begrafenis van deze bezielde jongeman in een woelige tijd wordt weerspiegeld in 54 stukken op panelen. Dan zijn er nog verscheidene toonkasten en een tweetal vlaggen van jeugdvendels (ADJV en VNJ) die de naam van hun held dragen...Voor de kenners, liefhebbers en overtuigden van de noodzaak dat de geschiedenis van de in drie - met de oude gewesten binnen Duitsland vier - landsdelen van de oude Nederlanden en van het Nederlandse volk grondig moeten worden herzien en herschreven in een volkse zin en in een geest van Dietse lostverbondenheid, is deze tentoonstelling een "must" (excuus voor dit Engels...), meer nog: een aanloop tot nieuwe bewustwording kan zijn. Er zijn daar nog verscheidene culturele, literaire en historische blikvangers te bekijken, te lezen, te bewonderen: foto's en getuigenissen van de begrafenis en van de indrukwekkende rouwstoet voor Herman van den Reeck, enkele van de gedichten, geschreven door de overwegend Vlaamsgezinde expressionistische dichters: Paul van Ostaijen (kopie), Marnix Gijsen ("Sluit de gelederen. Hij is gevallen.", Albert Vanhoogenbemt, Victor Brunclair, Wies Moens in zijn tweede bundel "De Tocht" ("In mijn stille, witte cel is het bericht van uw dood als een nieuw parool..."), Antoon Jacob, Gaston Burssens. Een merkwaardig historisch en artistiek stuk is het schilderij van Paul van Ostaijen door Prosper de Troyer.

Bezoek deze, opnieuw stimulerende expositie: nog toegankelijk tot en met woensdag 30 juni; elke dinsdag, woensdag en vrijdag van 14 tot 17 u.; zaterdag van 10 tot 16 u. De inkom is gratis.

maandag 8 maart 2010

Aleidis Dierick: een nieuwe lente, een winters-broos geluid !


"Dondermaand": het is maar één van verscheidene volksnamen voor de grillige overgangsmaand tussen winter en (soms nog verre) lente. Enkele andere nog: buienmaand, dorremaand (verwant met "donder"), guldenmaand, lentemaand en Thormaand. Thor was bij de Germanen van het Noorden de dondergod; de West-Germanen, Franken, Saksen, Friezen, Angelen, Alemannen, Boergonden e.a. geruikten de naam "Donar". De oude Germaanse mythologie heeft, naast het kristendom, met Latijn en Grieks, meer invloed gehad op onze volkstalen dan we kunnen weten!

Ik wil mijn "maartse buien" van kennis, geloof en liefde openen met een gedicht van een lieve vriendin, geestverwante, én radikale nationaliste, de Vlaamse, dus Nederlandse, Aleidis Dierick. In het fiere Aalst is zij een drijvende kracht achter de strijd voor de opgang en de algehele onafhankelijkheid van ons volk! Samen met Lucienne Stassaert en Jo Gisekin is zijn één der grootsten van de hedendaagse Vlaams, dus Nederlandse poëzie. Treffend en zuiver is de gestalte van maart die zij in haar gelijknamig gedicht oproept:

MAART
------------

De dage breekbaar, van ijs, doorschijnend
de nachten van wind en beweging,
warmte, de aarde, zij kantelt.
Van gras een verrukkelijke keerkring.
Bruin en bewolkt zijn de stromen,
de struiken losbarstend in twijgen,
als huiven de kruinen vol vogels,
het hart is tot alles in staat.
Verlange, een mond in het donker,
een mateloos verwachten van water,
beminde bevrijd mij van honger.
De morgen zo koel als agaat.

Aleidis Dierick
(uit 'Een zomer voorzien', 1977)

Ik zal trachten nog poëtische schoonheid te puren uit het oeuvre van Hadewijch en Alice Nahon...
Borms Van Severen Van Wilderode Verschaeve Dietsland