zaterdag 31 mei 2008

Anton van Wilderode en... Alice Nahon


In dit "utopisch" dagboek, dat eerder op een poëtisch weekblad lijkt, heb ik reeds een vijftal bijdragen over Alice Nahon geschreven, het laatste daarvan n.a.v. de 75 ste verjaardag van haar voortijdig overlijden, op 21 mei jl. De lieve, van nature vrolijke en humoristische vrouw en dichteres, overleed inderdaad in het fameuze, beangstigende jaar 1933, toen in januari, Adolf Hitler aan de macht kwam in Duitsland...Na een wankel leven, met een zesjarig verblijf in een gesticht wegens vermeende "tuberculose", stierf zij aan hoge koortsen veroorzaakt door chronisch-astmatische bronchitis.

De weg van versoberde en verinnerlijkte schoonheid, die Alice in 1932 was ingeslagen met haar "
drie laatste gedichten": "Drij Rozen", "Het Halssnoer" en het wonderlijk mooie én zangerige "Onder uw Handen" - door kenners als haar beste gedicht beschouwd -, zou zij wellicht verder zijn gegaan en zou zij tot de grootsten van onze Nederlandse dichtkunst zijn gaan behoren. "Zou"..., als ze niet zo vroeg, nog geen 37, was overleden. Dat wonder hebben wij niet mogen beleven, wél is er het wonder van haar onaangetaste én zelfs toegenomen populariteit, die ik zelf in de hand heb gewerkt.

Toch is het niet mijn bedoeling hier nogmaals in te gaan op deze grote én lieftallige dichteres. Wél kom ik, langs haar weemoedige poëzie om, nu terecht bij de dichter én zeer goede, persoonlijke vriend van mij, Anton van Wilderode. Uitgaande van één gedicht en teruggrijpend naar hun beider leven in Vlaanderen, vergelijk ik deze beide dichters én lieve, edele mensen, vooral ook ook omdat zij, klaarblijkelijk, als tegengif dienen tegen de verregaande leegte en ijdelheid in kunst en "
poëzie", waarin vooral schoonheid en liefde méér dan ooit ontbreken. Daarom noemde dichteres Aleidis Dierick mijn gedichten "Liederen van weemoed en woede", twee kwaliteiten - jawel! - die ook voorkomen in het dichtwerk van Van Wilderode en Nahon, al overheerst bij hen, evenals bij mezelf, de weemoed. Maar de woede om de verheerlijking van het ziekelijk-inhoudsloze, van enig volksbewustzijn en van het domweg brutale, is er ook! In één woord: de schoonheid - innerlijk én uiterlijk wordt meer en meer verdrongen door lelijkheid, zij het onder een bedrieglijke vorm.

Omdat het op 15 juni precies tien jaar is geleden dat Anton van Wilderode overleed, wordt hij, op die dag in Sint-Niklaas en op 28 juni, zijn geboortedag, in zijn geboortedorp Moerbeke, herdacht. Over de herdenking in Moerbeke en over de dichter, zijn werk én mijn vriendschap met hem, schrijf ik binnenkort nog.

Nu toon ik met één gedicht aan hoe Anton van Wilderode, die "
weemoed" "zijn wereld" noemde, wel eens werd beïnvloed door Alice Nahon, de melancholische dichteres bij uitstek, na Karel van de Woestijne. Zo zie ik, in thematiek en stijl, het gedicht "Binnenin" van Anton, op het eind van zijn debuutbundel "De moerbeitoppen ruischten" (1943) beïnvloed door het gedicht "Dat lied", uit de derde en laatste door Alice Nahon bij leven uitgegeven bundel "Schaduw" (1928), al schreef Alice het veel langer uit, als een klein verhaal. Lees maar:

Anton van Wilderode: BINNENIN
------------------
Het diepste lied zingt binnenin
onaangerand van woorden:
daar ruisen aarde en hemel in
en zwelt de ziel ten boorde.

Maar alle wat de mond beging
voltooid en onvolkomen
is het begin dier dromen,
niets dan een stameling.

Alice Nahon: DAT LIED
-----------------
Het lied waarvan een mensenziel
het heiligst is doordrongen,
daar zijn op aard geen woorden voor,
dat blijft onuitgezongen.

Dat leerd' ik toen ik eens voor u
een zuiver lied wou zingen
dat stil- en langer trillen bleef
dan klank van aardse dingen.

Ik wou dat parelwoordensnoer
om regenbogen vlechten
maar vond geen droppels licht genoeg
om aan mijn droom te hechten.

Ik heb er dikwijls om geschreid
maar op een klare morgen
heb ik het in Gods hand geleid,
die zal er nu voor zorgen.

Zo zonder einde of begin
alleen gedriegd van dromen,
zo is mijn arm liedeke
bij Lieven Heer gekomen.

en zal 't niet van deez' aarde zijn,
och, in ons beetre leven,
met in zijn mond mijn kleine naam
zal God u 't liedeke geven.


Hun beider toonaangevende thema was dat van het bedroevende -soms geleidelijke-verlies van dierbare mensen en dingen, van liefde en schoonheid, van het eigen lichaam, gezondheid en fysieke kracht. Zo schreef Van Wilderode, die - té bruusk en té snel voor heet het bewuste Vlaanderen - aan de nare gevolgen van diabetes moest overlijden, ooit: "
En mijn vingeren verliezen hun vatten en grijpen"... Ook Alice Nahon leed zwaar door haar "verloren jaren", wegens het foute verblijf in afdeling "voor ongeneeslijk zieken" in Tessenderlo (1917-1922) en door de slopende ziekte, die tot een veel te vroege dood moest lijden. Bij het voortijdig overlijden van dichters en dichterlijke bezielers als Keats, Shelley, Byron, Edgar Allan Poe, Novalis, Albrecht Rodenbach, Ernest van der Hallen, Alice Nahon, Jeanne van de Putte, August Vanhoutte en Jacques Perk, bijna allen volbloed-romantici, denk ik nog aan de uitspraak van de grote Engelse dichter Percy Bysshe Shelley: "The good die first and those whose life is like summer-dust, burn to the socquet". Dat geldt niet voor elk bewust mens of dichter, maar voor een belangrijke groep van "poètes maudits".

woensdag 21 mei 2008

Alice Nahon: liefde, schaduw en dood


(Boven: Alice Nahon, litho van de Hongaarse grafica Hermina Horvàth.)

Alice Nahon, de beminnelijke én beeldschone, Vlaamsgezinde dichteres - de meest gelezen en bewonderde -, zal geenszins over mij, als literatuurcriticus, als Vlaams-nationalist en als dichter, te klagen hebben, als wij mekaar in het - "omstreden" - hiernamaals binnen afzienbare "tijd" ontmoeten. De liefde en de oprechte verering die mijn ouders voor haar koesterden en aan mij toevertrouwden heb ik omgezet in de uitgave van haar Verzamelde Gedichten, eerst in 1983, dan nogmaals in '84 en '87 en ten slotte in 1996 - toen ze 100 jaar eerder op deze voor haar triestige en nu waanzinnig geworden wereld was beland. Ja, ik beken het volgaarne: in een vorig "stuk" over "Liske", die ik als een "modern" Vlaams Onze-Lieve-Vrouwke over de zalige meimaand liet tronen in dit Utopia, op de 9de van deze Bloeimaand - tussen haakjes: zelf ben ik in die maand geboren...- heb ik beloofd om op 21 mei een nieuwe tekst over haar en haar werk te brengen, met name n.a.v. de 75ste verjaardag van haar moeizaam en pijnlijk overlijden op diezelfde dag in de meimaand van het fameuze jaar 1933, een stralende Pinksterzondag.

Ik wil niet overdrijven en deze tekst, over haar laatste jaren en uren, kort houden. Lezers van dit "
Utopia, dat bestaat" (Anton van Wilderode) hebben waarschijnlijk mijn artikel over de "Renaissance van Alice Nahon" in 't nieuwe Pallieterke van woensdag 21 mei gelezen en misschien... uitgeknipt. Ik wil nu besluiten met Alice Nahon, het vrolijke én weemoedige "meisje én de dood", wat me doet denken aan Franz Schuberts verrukkelijke lied en strijkkwartet... Wellicht is de steeds overeind gebleven en zelfs - als tegengif tegen de huidige, literair-poëtische, emotionele en geestelijke leegte - hoopgevende schoonheid van Alices beste gedichten het wonderbaarste verschijnsel van de moderne Nederlandse letterkunde!

Ik citeer de laatste bladzijde uit mijn recentste uitgave van haar "
Verzameld Dichtwerk", dat ik in 1996 (honderd jaar na haar geboorte) heb uitgegeven bij Pelckmans (Kapellen) en van een biografische inleiding heb voorzien.

"
In januari 1933 keerde Alice Nahon terug naar haar woning waar ze voorgoed bedlegerig werd. Nog even scheen die levensvlam op te flakkeren. Maar de koortsen werden steeds heviger en putten haar uit. De hartkloppingen namen toe en zij verzwakte van dag tot dag. Toch blééf de honger om aan het leven deel te nemen, tot in de stralende meimaand, waarin ze stierf. Als ze een stoet door de rumoerige Carnotstraat hoorde trekken - een of andere Vlaamse betoging - veerde ze recht en wilde ze naar buiten, méé betogen nog... "Ik hou toch zó van het leven", zei ze dan. Tot in haar laatste uren praatte ze, met een ongekend vuur, driftig om de pijn te overwinnen en het martelend vuur tot stilstand te brengen. Hartstochtelijk stortte zij dan haar hart uit over wat haar het dierbaarst was, haar verzen: hoe ze die honderden keren luidop had gelezen, zoals ze waren gedicht, hoe ze alles bewust had herleid tot de grootste eenvoud. - Van haar "ongeschoold", dienend dichterschap, dit "tenger en sterk mirakel der poëzie", getuigde ze tot de bevriende romanschrijver Lode Zielens": "Mijn verzen, ze zijn distillatie van eenvoud. Ik zwoeg over elke regel om hem zo simpel mogelijk te krijgen zodat Jan en alleman hem kan verstaan. Mijn taalonderwijs gaat maar tot mijn elfde... Ik weet niet hoe het is gekomen dat ik ben begonnen met verzen te schrijven. Ik kende van Gezelle toen slechts één liedje. Hij was eerst slechts een fictieve naam voor mij." Wat dreef haar toch om altijd verder aan haar poëzie te slijpen en te boetseren tot grotere klaarheid? Het besef dat haar dichterschap een hoge roeping was van ontfermende liefde, door God begenadigd. Zij wilde met haar woorde warmte en troost brengen aan alle uitgestotenen, getekenden door lijden en ontbering. Vooral dat hield haar recht in al die jaren van ziekte en eenzaamheid. Lang voor de hoogdravende theorieën van "schrijven als therapie" werd de echte vertroosting der poëzie werkelijkheid. - In die laatste mei van 1933 werd haar levenshonger nog héftiger. Soms zegde zij plots, met zwakke maar sonore stem, gedichtjes op, uit de blijde dagen van Overijse, hélder en ver. Ondanks haar twijfels was zij fier op haar gedichten, als een kind: "Niemand heeft mij de structuur van het dichten geleerd. Ook Pol de Mont niet. Ik heb geen enkele van zijn opmerkingen aanvaard. Reeds op school maakte ik verzen." - De laatste dagen verzwakte haar geloof in het leven. Tot dan toe had zij zich moedig verweerd, maar plots drong het tot haar door dat het einde naderde. Soms schoot zij angstig recht: "Gelooft gij dat ik sterven ga?" - Dan scheen zij weer te berusten. De koortsen ondermijnden haar en zij lag moegestreden, het gelaat scherp doorgroefd. - De laatste zaterdag, 20 mei, werd zij berecht door pater Stracke en op zondagnamiddag, 21 mei, een glanzende Pinksterdag, stierf zij, nog geen 37 jaar oud."

Ik besluit met twee van de mooiste en meest typerende gedichten van de weemoedige en angstig-hoogbegaafde Alice Nahon:

STERVENS-PIJN
----------------------------
Daar hangt wat adem van m'n ziel
Op iedere weg, in ied're bloem;
Daar blijft een beetje van mijn hart
In al de namen, die 'k vernoem.
En 'k voel m'n stil verwant
Aan ieders wee..., aan elks verblijen...
Gij, die me lieven hebt geleerd,
God, leer me scheien.

M'n God, ik kàn..., ik kàn nog niet;
Daar woont in mij geen stervensrust!
M'n ziel is nog niet uitgezeid,
M'n mond heeft niet genoeg gekust...
Zie, in m'n kijkers fonk'len nog
Te lang verkropte, jonge lusten...
Gij, die me hunk'ren hebt geleerd,
God, leer me rusten...

Onder m'n voeten reuz'len stil
Verdroogd' en bruin' oktoberblaân;
Neem Gij m'n handen, God, ik kàn,
Ik durf er haast niet overgaan...
M'n zwier'ge tred is niet gewend
Te trappen op illuzie-scherven...
Gij, die me "
leven" hebt geleerd,
God, leer me sterven.

(Uit 'Vondelingskens', 1920)
-----------------------------------------------------------------------

SCHADUW
--------------------
Ik heb de liefde liefgehad;
daarom wellicht heeft zij me niet bemind.
Zo doet de mooie minnaar
met een zeer verliefde kind.

Ik heb de zon te lief gehad
en beu van beedlen
aan de deuren van de dagen
ben ik geworden als een varenblad
dat liever in de lommer leeft
dan zon te dragen.

En daarom bouwt mijn kommer aan een huis
waar lamp- en zonnelicht
getemperd zijn voor de ogen
en waar de soobre lijn van een gelaat
en waar de vrede van een vriendschap staat
lijk schaduw van een boom
over mijn hoofd
gebogen.
(uit 'Schaduw', 1928)

vrijdag 9 mei 2008

Meimaand ook Alice Nahon-maand


Reeds in de eerste weken dat ik teksten, gedichten en commentaren schreef voor dit "Utopia" - een eerder ongeregeld internet-dagboek dat beantwoordt aan het voor een dichter of dichterlijk journalist toepasselijk paradigma van Guido Gezelle: " 'k Zal mij van te dichten zwichten, als 't mijn hert niet wel en gaat" - kon ik het niet laten aandacht te schenken aan en een oude -van mijn ouders geërfde- genegenheid te laten blijken voor Vlaanderens populairste, meest gelezen en meest bewonderde dichteres: de voortijdig overleden Antwerpse Alice Nahon (1896-1933). Nu is de tijd wéér rijp om deze lieftallige, vurige en zeer begaafde dichteres, die ook een felle flamingante was, te gedenken. Op woensdag, de 21ste van deze stralende meimaand, is het immers 75 jaar geleden dat zij overleed, nog geen 37 jaar oud, ten gevolge van hoge koortsen, veroorzaakt door haar chronische bronchitis... Dus niet ten gevolge van tuberculose. Meimaand is in Vlaanderen ook dé dichtersmaand, want Alices grote Voorbeeld, Gezelle, werd op 1 mei 1830 geboren, nóg tijdens het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden...

Mijn eerste aandacht voor haar wordt dit jaar een diepgaande en vooral poëtische lezing over haar leven en werk, die ik zal houden in Kortenberg (bij Brussel) op vrijdag 16 mei e.k., in het gezelschap van Jean-Emiel Driessens, stadsgids van Antwerpen, die gedichten van het lieve "
Liske" voordraagt. Wie deze "Voordracht in twee stemmen" wil bijwonen, kan contact opnemen met de organisator, Luk Van Biervliet, via e-post: luk.van.biervliet@scarlet.be.

Wie in de tweede helft van de voorbije eeuw haar bekende, gevoelige en vooral weemoedige gedichten nog eens wilde (her)lezen, zo vanaf de jaren 1960-'70, kon meestal niet meer terecht in boekhandels of antiquariaten: van haar tijdens het interbellum zoveel verspreide dichtbundels, 'Vondelingskens' (1920), 'Op Zachte Vooizekens' (1921), 'Schaduw' (1928) en 'Maart-April' (1934) en van haar 'Verzamelde Gedichten' (1934 en '52) viel daar heel zelden nog een exemplaar aan te treffen. Daarom richtte de Antwerpse uitgever Gustaf Janssens van de "
Stichting Mercator-Plantijn" zich tot mij in 1983 - toen het vijftig geleden was dat Alice overleed - met verzoek een uitgave met haar verzamelde gedichten samen te stellen, mét een biografische inleiding én een benadering van haar poëzie, die haar zo na aan het hart lag. Aldus geschiedde: ik zorgde voor een verzorgde uitgave, niet met de - recentelijk zo beklemtoonde- "frivoliteiten" van Alice, maar met veel aandacht, inhoudelijk en stilistisch, voor haar verzen.

Ten onrechte hebben collegae-dichters, als Paul van Ostaijen en Martinus Nijhoff denigrerend en zonder begrip over haar poëzie geschreven. Daarbij gingen zij vooral uit van haar eerste twee bundels, 'Vondelingskens' en 'Op Zachte Vooizekens': Nahons melancholie, haar tederheid, haar eenvoud en haar ongekunsteldheid lagen hun niet. Juist dat dienende dichterschap, dat een rijpere en mooiere gestalte kreeg in haar derde bundel 'Schaduw' en in het postuum uitgeven 'Maart-April' was Alices ideaal. Zij getuigde daarover op één van haar laatste levensdagen, toen de hoge koortsen haar folterden en uitputten, tot de bevriende romanschrijver Lode Zielens: "
Mijn verzen, ze zijn distillatie van eenvoud. Ik zwoeg over elke regel om hem maar zo simpel mogelijk te krijgen zodat Jan en alleman hem kan verstaan. Mijn taalonderwijs gaat maar tot mijn elfde jaar... Ik weet niet hoe het gekomen is dat ik begonnen ben met verzen te schrijven. Ik kende van Gezelle toen slechts één liedje. Gezelle was toen slechts een fictieve naam voor mij." - Poëzie, en met name haar eigen ongeschoold, maar dienend dichterschap, was voor haar een "tenger en sterk mirakel". Ik besluit deze eerste benadering van Alice Nahon en haar poëzie met haar vrij lange, maar mooie en diepzinnig-beeldende gedicht "Poëzie" (uit 'Schaduw', 1928). Tegen de herdenkingsdag van haar overlijden, de 21ste van deze stralende Bloeimaand - die in 1933, op die Pinksterzondag, ook zo stralend was...- wijd ik nog één bijdrage aan Alice.

POËZIE
---------------
Poëzie,
tenger en sterk mirakel,
dat zich voltrekt boven een trosselke woorden,
boven een enkele zin,
boven een luttel woord;
ach trosselken,
ach woordenrei,
ach woord weiger van waarde,
wie heeft uw geest gewekt
en over wrokkige aarde
doen heilichten
- Gods blik die gloort -?

Dat is de tere, koninklijke kracht
uit eenzaamheid geboren
- eeuwigheidsnood -
aandachtige engelen in de nacht te zien
gracielijk schrijden over de logge dood.

Zie hoe die woordgestalte rijst
achter der engelen voet,
hoe zij ze beuren op hun vleugelenstoet
tot zij, in 't licht getild,
de schone steun verlaat
en in gestuite vaart
op hemelbogen staat.

Mystieke luister maakt heur lijf subtiel
zodat ze tijd en vormen overwint
en vloeiend van gebaar
en vol beweeg als wind
in smalle spanne diepe tochten doet,
mirakuleuze reizen
naar de abiemen van 't gemoed.

Maar is zij deze ijlte doorgestraald,
voert zij geen zielen mede blijde en lichter,
dan knielt aan de overzij
beschaamd v'o'or heuren voet
Gods droeve tovenaar
de dichter.

woensdag 30 april 2008

Ludo Laagland: een volksverbonden nonconformistisch kunstenaar uit de Kempen


Eigenlijk zou ik deze tekst over Ludo Laagland, geboren onder de naam Louis Peeters in Paal (bij Tessenderlo), op 7 mei moeten publiceren, want op die dag werd dit begaafde en levenslustige kind van de grote Bloeimaand geboren in het jaar 1923. Toch doe ik het nu al om met een grote en geliefde naam uit onze "Vlaamse" - juister Kempische (of Zuid-Nederlandse) - beeldende kunst die maand in te luiden, die mij ook bijzonder dierbaar is. Redenen heb ik genoeg: "Mei" werd onnavolgbaar bezongen door één der grootste Nederlandse dichters, Herman Gorter, en onze eigen Vlaamse Gezelle werd geboren in deze maand (1 mei 1830, nog tijdens het bewind van koning Willem, binnen ons eigenlijke vaderland, de Nederlanden of gewoon: NEDERLAND!). Guido Gezelle, zag zich, gedreven West-Vlaams taalparticularist zijnde, weliswaar als "Vlaming", desalniettemin was hij één der grootste Nederlandse dichters van de hele literatuurgeschiedenis! Mag ik er ook aan toevoegen dat ik zelf, als bezield dichter en cultuurjournalist, ook in deze heerlijke maand werd geboren in het oude Mortsel (toen nog een "dorp") en wel op de 14de van die bloeiende maand in 1944, nog tijdens "de oorlog" dus... De onmiddellijke aanleiding was wel mijn inleidende toespraak bij de retrospectieve tentoonstelling van het oeuvre van Ludo in Galerie Zwanehoeve te Kasterlee bij mijn vrienden, volksvertegenwoordigster Alexandra Colen en journalist en auteur Paul Beliën. Ludo Laagland illustreerde mijn tweede dichtbundel " te Kasterlee bij mijn vrienden, volksvertegenwoordigster Sporen naar Utopia" (1990 - De Nederlanden) met fijne tekeningen.

Welaan dan:

Beste familie van Ludo Laagland, Vlaamse vrienden-kunstminnaars, dames en heren,

Het is mij een grote eer en een bijzonder genoegen om hier, na de indrukwekkende tentoonstelling van zijn zoon Hans, één van de grootste "
klassieke", fijn-realistische kunstschilders van deze tijd, hier nu ook een rijke retrospectieve uit het geschilderde en getekende oeuvre van zijn vader, Ludo Laagland te mogen inleiden!

Zijn trefzekere vormgeving vanuit zijn zuiver tekentalent en zijn zin voor een warm en harmonisch koloriet, naast de thematiek van verbondenheid met land en volk van de Kempen en van heel Vlaanderen plaatsen Ludo in de grote schilderkunstige of picturale traditie, vanaf de Primitieven, over Adriaan Brouwer, Rubens en Rembrandt, tot de Vlaamse expressionisten.

De figuratieve kunstenaar Ludo Laagland schildert en tekent uit natuurlijke, artistieke aandrang herkenbare, voor ieder aandachtig en gevoelig mens toegankelijke kunst. Zijn schilderijen en tekeningen ontroeren en wekken herkenning en bewondering op. Wat het genre en de thematiek betreft, vloeiden uit Ludo's potloden, houtskool en verfborstels voornamelijk veel portretten, met bijzonder mooie kinderportretten (eigen kinderen en die van vrienden), enkele fijne, nooit uitdagende, naakten, én landschappen, die een Kempische, Vlaamse sfeer uitademen én een persoonlijke interpretatie zijn. Ludo gaf zijn eigen aanvoelen, zijn beheerste interpretatie weer, zij het met voorzichtige accentueringen en vervormingen. Toch mogen zijn werken, mits enig voorbehoud, worden beschouwd als expressionistisch. Zijn religieuze taferelen tonen een sterk inlevingsvermogen aan, zoals de "
Piëta" uit 1967. Zoals zijn geestverwant, de animist Albert van Dijck, tekende Ludo ook treffende koppen van Streuvels, Walschap en Servaes.

Stammend uit het grensgebied van Hageland en Kempen (Brabant, Antwerpen én Limburg) is deze beeldende kunstenaar én dichter een waarachtig vertegenwoordiger van de cultuur van onze Lage Landen, zoals hij het in zijn pseudoniem uitdrukte. Hij verbindt de speelsheid en de zwierigheid van de Brabander met de ingetogenheid en bedachtzaamheid van de Kempenaar. Dit is een wonderlijke vermenging van extravert en introvert temperament. Met zijn wortels zit hij diep verankerd in de Kempische, Zuid-Nederlandse grond. Nooit verloochende hij zijn Vlaamse (of Nederlandse) eigenheid. Hij is een oprecht famingant, die nooit naar de pijpen van Brussel wilde dansen. In de Vlaamse - én in de hele Nederlandse - kunst van na de Tweede Wereldoorlog bekleedt hij een aparte plaats. Anders dan vele van zijn generatiegenoten die zich moe experimenteerden of zich in de uitzichtloze hoek van de abstractie lieten duwen, bleef de globetrotter en levensgenieter Laagland, een taaie autodidact, trouw aan de eeuwenoude Vlaamse figuratie.

Zoals bij de religieuze schilder Jacob Smits, die in Rotterdam werd geboren maar een groot deel van zijn leven woonde en werkte - een door de werkelijkheid van zijn leven dus echte Groot-Nederlander...- en de verfijnde animist uit Schilde, Albert van Dijck, ademt Ludo's werk een ingeboren én bewust beleefd respect voor het humane en het godsdienstige én de liefde voor alles wat écht en ongekunsteld is. Zijn werken, gedichten zowel als tekeningen en schilderijen doen mij denken aan twee geestverwanten in de literatuur: Ernest van der Hallen, de Lierenaar en Kempenaar die dit jaar al zestig jaar geleden van ons moest heengaan en mijn oude vriend Wies Moens. Ook Ludo Laaglands schilderijen en meest van al hoogtepunten in zijn schilderwerk als de vrede- en wijdingsvolle schilderijen '
Moeder en Kind' en 'De Vrede' (beide uit de jaren 1970) én de innig-ontroerende, getekende kinderen maken hem tot de "zegger" van "al het echte, nu zo ruw vertrapt,/ al 't grote dat men rukte neer,/ het goed' en schone, wredelijk ontluisterd".

Deze kunstenaar heeft zich ook nooit laten verleiden tot negatieve, "
expressionistische", vervormingen, noch tot "de kunst om de kunst" (L'art pour l'art). Hij was een volks aristocraat, die schilderde en tekende uit verwondering en bewondering, uit innerlijke aandrang. Zo heeft hij zijn bewondering voor het mooiste en het edelste in Vlaanderen, "De Vrede" (in het gezin) ontroerend geschilderd. Het is hier, in de Zwanehoeve, een blikvanger!

Wars van cultuur-politieke touwtrekkerij, onverschillig voor de glim- (of grim)lach uit het volksvreemde Brussel, bleef hij als een middeleeuwse ambachtsman in de stilte van zijn atelier te Zichem in Brabant schilderen en... dichten. Zo erkende hij verdieping als enige dimensie in zijn werk, in het besef dat zijn werk alleen door kwaliteit kon overleven. En ten slotte: "
overleven", in de fysieke én geestelijke zin van het woord had Ludo Laagland geleerd toen hij na de oorlog, zeer ten onrechte "aangegeven" als "zwarte" door een jaloerse familie van zijn dorp, twee gruwelijke jaren in een Belgische cel moest doorbrengen... Tekenen was toen zijn redding!

Mede vanuit die herinnering, besluit ik met het gedicht dat Louis Verbeeck voor zijn vriend Ludo schreef in 1966 en waarin hij in enkele trekken deze hele kunstenaar én sterke mens, die zijn pijn en verdriet "
wegschilderde" en zijn vrolijkheid en humor herwon:

Hij plukt de kleuren van de zon
en vangt de wereld in twee gouden strepen,
of het nu huizen zijn, of bomen, vrouwen, schepen,
in elk geval, ik wou dat ik het kon.

Soms bakt hij brood of ergens in een hoek
schetst hij een kindje, peinzend op een potje,
ofwel een heilige, devoot met een kalotje,
want God trekt aan de pijpen van zijn broek.

Hij kan nog stilstaan bij een plukje gras,
verwonderd zijn om doodgewone klaver,
maar soms krijgt hij iets Spaans en uit de daver
van zijn penseel dansen duivels op het glas.

Zijn kleuren leven en het zwartste zwart
is niet zo zwart als dat van zijn ellende,
maar al zijn uren, die geen glimlach kenden,
die heeft hij weggeschilderd met zijn hart.

Zo was, leefde en schilderde, tekende en dichtte Ludo Laagland, die dit allemaal in een gebald aforisme samenvatte: "
God hoorde de vogels zingen, zag de Vlamingen schilderen en zei: zo is het goed".

Alleen nog praktisch de tentoonstelling in Galerie Zwanehoeve van Alexandra Colen en Paul Beliën, Houtum 54 in Kasterlee, is toegankelijk tot en met zondag 25 mei: op zaterdag en zondag, van 14 tot 18 u. én op aanvraag in de week: tel. 014-70.42.45 of 0497-17.52.82.

woensdag 23 april 2008

Zangfeest: mooi, maar zonder Van der Hallen en... "Dietsland"!


Te wijten aan weer veel ander schrijfwerk kan ik nu pas verder gaan met mijn "dagboek" op het "web", met de bedoeling een handvol koren tussen het wereldwijde kaf uit te strooien. Vorige keer op 13 april jl., de zondag van de Bormsherdenking in Merksem, schreef ik over het naderende Zangfeest. Ik ben van mening dat ik, als lid van de "Raad van Deelgenoten" van het ANZ, hier wel enige, terecht opbouwende, maar ook kritische commentaren kwijt kan. Het geheel van dit zingend en hartverheffend spektakel verdient overwegend lof: regie, programmatoren en uitvoerders, om de voorzitter, mijn jonge vriend Erik Stoffelen, niet te vergeten, hebben er, zoals het hoort, een "Manifest voor Vlaanderen" van gemaakt. In 't Pallieterke hebben mijn incorrecte "web-zeilers" - toch een beter woord dan het weeral Engelse "surfers"- al heel wat lofzangen van mijn collega Hector van Oevelen kunnen lezen.

De dragende Vlaamse figuur uit het nabije verleden was, wegens de tiende verjaardag van zijn overlijden op 15 juni e.k., mijn goede vriend dichter Anton van Wilderode (Cyriel Coupé, 1918-1998), van wie twee liederen werden gezongen: "
Lied van mijn Land" - bijna een nationale hymne, naast het Wilhelmus - en het strijdbare "Volk, word staat". Jammer genoeg zit ik niet in de programmacommissie van het Zangfeest - zoals wél in IJzerwake...-, anders had ik zeker het, oudere en stijlvolle, "Vlaanderen herrijst" ("De vendels staan trots en verbeten") van Anton er dit keer ingevoegd. Een ander tekort, wat het bewustzijn van onze eigenlijke oorsprong, de juiste en volledige naam van onze cultuur, afstamming en volksaard betreft is het steeds weer opnieuw weglaten van de "oude", eerbiedwaardige namen "Diets" en "Dietsland", die betekenen: "volks" en "het land van het volk". Namen die heel gewoon waren in de late middeleeuwen en in de Boergondisch-Habsburgse periode (15de-16de eeuw). Ofwel worden die namen als "ouderwets" of "drammerig romantisch" voorgesteld, ofwel verwart men ze met "Duits", waarbij sommigen teruggrijpen naar de term "Nederduytsch" (16de eeuw). Sommigen veranderen zelfs de eerste regel van het Wilhelmus - in de mond gelegd van de Duitse graaf Willem van Nassau (ook Prins van Oranje): "Wilhelmus van Nassouwen/ ben ick, van Duytschen bloed" in "ben ick van Dietschen bloed"... Juist het modernere "Diets" en "Dietsland" werden op het zangfeest in het lied "Wij zijn bereid" vervangen door "Vlaams(e) zege" en "Vlaanderen wordt groot". Dit op een zangfeest van het Algemeen NEDERLANDS (=DIETS) Zangverbond... Dat zijn flagrante fouten tegen de tekst van dichter R. Lammens, terwijl de toondichter, Jef Tinel, een Dinaso was... Was het "toverspel" van de (wel heel kleine) kindjes wat àl te lang, dan werd Hullebroecks en Rodenbachs "Blauwvoet" te traag gedirigeerd en gezongen. Jammer. Men kan dit "schoonheidsfoutjes" noemen, hoewel dat wel wat meer was.

Nest van der Hallen ontbrak!
-------------------------------------------

Een veel spijtiger leemte was het volledig ontbreken van een evocatie van de 60 jaar geleden vroegtijdig - deels ten gevolge van Belgische mishandeling - aan de Vlaamse (studenten)beweging en letterkunde ontvallen Ernest van der Hallen (1898-1948). Hij was, samen met vele anderen, één van die voortreffelijke schrijvers en kunstenaars, die met opzet werden mishandeld en langdurig opgesloten...of in ballingschap moesten verdwijnen, in de onzalige jaren 1944-1946). Voor ouderen is zijn naam een legende uit onze bevrijdingsstrijd; voor de studenten van het interbellum, met name voor het onvergetelijke AKVS én sinds jaren ook voor heel wat jongeren en Vlaamsgezinde studenten van eind 20ste en begin 21ste eeuw een richtinggevend symbool voor zowel ideologische, religieuze als zedelijke adel; een opvoeder van de hoogste waarde, naast Dosfel, Wies Moens en Cyriel Verschaeve! In het pogrammaboek van het zangfeest prijkte wél de prachtige houtsnede van "
de Nest" door mijn Waaslandse vriend en kunstenaar Wim De Cock, bij een aankondiging van het Bertennest voor een Van der Hallen-dag in Alveringem op 2 mei.

Weer eens jammer was het wegvallen van mijn artikel over "
Van der Hallen en het lied", waarin ik duidelijk verwijs naar Ernests rondtrekken langs Kempische kerken, met zingende jongeren, begeleid door mandolines en gitaren, om - in de jaren 1920...- liefde voor Vlaanderen op te wekken. Bovendien kon een -te weinig bekend- lied, geïnspireerd door zijn "De Wind Waait" (1932) en op muziek gezet tot een blijmoedig trekkerslied: "Mijn paardeken trekt stapvoets de wagen voort..." Tekst en muziek zijn goed zingbaar. Was het weer te warm-romantisch? Dietsland én Van der Hallen werden dus zowat vergeten of geweerd? En dan te zeggen dat Nest van der Hallen, die zwaar ontgoocheld en geschokt de vervolging en de vernieling van het AKVS door een dictatoriale, belgicistisch episcopaat, moest verdragen, niet zo bewonderd meeging in de nieuwe "marsrichting" (niet die specifieke van Van Severen in 1934 en later...) van de studenten- en jeugdbeweging in Groot-, Heel-Nederlandse of Dietse zin...

zondag 13 april 2008

Het Vlaams-Nationaal Zangfeest: "Zingen maakt van gedachten krachten!" (Cyriel Verschaeve)


Aangespoord door enkele recente, positieve reacties op mijn elektronische en poëtische "dagboeken" (in zekere zin), onderbreek ik het andere, drukke geschrijf voor bladen, toespraken en poëzie, om even mijn visie op het zingen én de grote waarde van het eigen, volkse lied weer te geven. Dit tegen de achtergrond van het nakende 71ste Vlaams-Nationaal Zangfeest, dat voor de laatste maal plaatsvindt in het gigantische Sportpaleis (Merksem-Antwerpen). Volgend jaar, zo hebben we beslist tijdens een vergadering van de "Raad van Deelgenoten" van het Algemeen Nederlands Zangverbond, verhuist die kleine maar bewuste groep van zingende Vlamingen -met een grote liefde voor het volkseigen, oude én nieuwe, Nederlandse lied- naar de "Lotto-Arena", vlakbij het Sportpaleis. Wellicht - en hopelijk tijdelijk- een terechte beslissing, om met die - nauwelijks - 5000 "zangers" niet meer te "verdrinken" in het gigantische Sportpaleis.

Een -ontgoochelend- tekens des tijds, zoals zoveel andere op het gebied van het bewaren en behartigen van de eigen, volkse, "
Vlaamse", of juister Nederlandse, cultuur en kunst! Nu er opnieuw veel meer strijdbaarheid dringend nodig is om het volksvijandige Belgische regime en het staatje uit de wereld te bannen, is het zingen van onze volkse liederen, zoveel mogelijk op bijeenkomsten, strijdmeetings en betogingen, dus in grote groepen, een stuwende kracht. 'De Blauwvoet', 'Voor Outer en Heerd', 'Kempenland', 'Groeninge' ("Het Vlaamse heir..."), 'Daar is maar één Vlaanderen' en andere zijn aangewezen. Daarnaast zal op het komende zangfeest met veel kracht hét moderne strijdlied van Anton van Wilderode en Herman Elegast: "Volk, word staat" worden gezongen. Een ander en ouder strijd- én staplied - dat op het programma van 20 april had moeten staan - is 'Heropstanding' ("De vendels staan trots en verbeten"), ook op tekst van Van Wilderode, die we in Antwerpen én, eind juni, in zijn Waaslandse geboortedorp Moerbeke, met veel piëteit zullen herdenken!

Met de mij eigen weemoed én woede -om de verslapping, uitholling en "
verbelgisching" (gruwelijk woord!) van de Vlaamse Beweging -denk ik nu weer terug aan de jaren 1960 en '70 toen 15.000 tot 20.000 Vlaamsgezinde en nationalistische Zangfeestgangers het Sportpaleis bijna tot de nok vulden... Denk maar aan dat Zangfeest met de opmarsjerende oud-leden van de Arbeidsdienst, onder het zingen van hun meeslepend lied: "Glanzende spaden, stalen gelid..." Lang geleden al, bijna zeventig jaar, tijdens het Vlaams-nationaal Zangfeest van 1939 op de Brugse Grote Markt, bij het standbeeld voor Jan Breydel en Pieter de Coninck, doorgrondde Cyriel Verschaeve het wezen van het volkse samen-zingen: "Zingt! Het is beter dan spreken. Zingen maakt van gedachten krachten!" Wie de waarde van het eigen volkse, Dietse lied echt naar waarde wil schatten, raad ik ten zeerste aan om de rede van Wies Moens, tijdens het achtste Vlaams-Nationaal Zangfeest op de Brusselse Grote Markt op 31 juli 1941, te lezen. Je vindt die tekst in de privé-uitgave (in stijlvolle, zwarte band) 'Wies Moens - Proza II' (1970). Moens, kénner bij uitstek van onze volkse kunst en cultuur en in het bijzonder van onze letterkunde en liedkunst, belicht in deze toespraak het Dietse wezen en de waarde van de rijke schat - sedert de Middeleeuwen - van onze Nederlandse volkse liederen en volksliederen. Uiteraard zou ik gans de rede van mijn oude vriend hier afdrukken, maar dat voert mij én mijn lezers te ver. Ik citeer enkele essentiële fragmenten.

"
Voor de twee maal weerklinkt van op dit enig-mooie marktplein over het verwelste Brussel de feestelijk-geordende zang der "Vlaamse scharen". Ouden en jongen, groten en kleinen voegen hun stemmen bij elkaar. Geen enkele stem zingt voor zichzelf; elke stem is ingevoegd in het geheel én dient het geheel, de samenzang, - dat hij verkondige vol schone kracht: de waarde en de zin van het volkse lied, de rijkdom en de betekenis van onze volkse liederenschat. - Machten die tegen ons waren, hebben eenmaal gezworen, te maken van ons: een Volk dat 't eigen woord niet meer zou kunnen spreken. Zij zijn in hun opzet mislukt: wij spreken niet alleen, wij z i n g e n ook nog de taal der vaderen. 't Kloek-ruisend Diets van Maerlant en Ruusbroec is onuitroeibaar gebleken. Heil ons, dat wij 't bewaren mochten! - 't Volkse lied - het echte - verkondigt aan de wereld wat een Volk waard is; welke krachten zijn wezen, zijn persoonlijkheid bepalen; in welke deugden het uitblinkt en hoé het daarin uitblinkt. - 't Volkse lied bij ons - het wàre - doet dat sinds honderdtallen van jaren en altijd voort. Zo staan wij er in getekend als een Volk dat, op geheel eigen wijze, de drang ter verte en de zin voor de daad paart aan 't verlangen naar stille beschouwing en stille innerlijkheid. - Het volkse lied, hoe fel het ook de waarheid van 't eigen-volkse klaroenen moge, is altijd nog een...zachtmoedige les. Misschien zal Brussel, ons Brussel, ook hàrde lessen nodig hebben. Het zal ze krijgen, als 't moet. Want wij kunnen niet meer stilstaan op de weg die wij voor zijn toekomst gekozen hebben: - de weg naar 't volle stralen, naar de algehele orde van 't waarachtige, Brabants-Dietse wezen dezer nooit opgegeven, met verbetenheid beminde stede." -

Tot daar mijn oude vriend Wies Moens.

Even verbeten en trouw als zijn vriend Wies Moens, verdedigde Dr. August Borms de onaantastbaarheid van het Brabantse, Nederlandse Brussel. Wij herdenken zijn opdracht tot volharding ook vandaag, 13 april, tijdens de Bormsherdenking in Merksem, hoezeer de Vlamingen - in wezen dus Nederlanders - én de Vlaamse Beweging in en voor Brussel ook van die opdracht zijn afgeweken!

woensdag 26 maart 2008

Revolutie tegen het regime: gedichten en gedachten als zweepslagen ! (4)


De (winterse) "lentemaand" loopt ten einde en de grasmaand (april) staat voor de deur. Hopelijk vindt de natuur haar échte voorjaars-identiteit weldra terug: zingende, sjilpende vogels en het verrukkelijke kleurenfestijn van bloesems en bloemen. Niemand geringer dan de grote Brabantse, mystieke dichteres Hadewijch (13de eeuw) bezong in enkele gedichten die grasmaand (of paas- of eiermaand). Veel erger dan de aarzelende natuur zijn het zieke fenomeen van de Belgische "regering", die ons ergert, stoort, beledigt en benadeelt, geteisterd door brutale francofone dominantie, en de verzwakte, verdeelde en steeds aarzelende "Vlaamse Beweging". Ik hoop in de hoofden van enkele Vlaamse kopstukken en "-bewegers" een vonkje te doen ontvlammen met enkele gedichten tegen het volksvreemde regime, tegen het "lammenadig ras van laffe stommeriken" (Pol De Mont)... Maar ja, de droom, het ideaal van -waarachtige- dichters is uit deze tijd gebannen, al blijf ik geloven dat Ernest van der Hallen gelijk had - zij het op lange termijn -, toen hij schreef: "Ten slotte is het niet de economist (of de politicus) die de tijd zijn werkelijke gestalte geeft"...

Ik wil vandaag aansluiten bij mijn vorige revolutionair-poëtische tekst, waarin Ward Hermans de hoofdrol speelde. Daarvoor kies ik een gedicht uit "
Poëzie achter tralies", een keuze uit de vier "zwarte" dichtbundels, die verschenen in zijn gevangenisjaren (1945-1955), spijts het verbod... Deze bloemlezing werd samengesteld door Anton van Wilderode, Paul Hardy en Lode Baekelmans, drie gezaghebbende poëziekenners. Zij deelden de grote waardering van niemand minder dan Streuvels, Willem Elsschot, Cyriel Verschaeve en Jan Vercammen voor Ward Hermans' poëzie, met haar felle epische adem én lyrische schoonheid!

Dit gedicht nu noemde Ward "
Post Scriptum bij de Europa-Ballade" (1949-1951), maar het is een felle - en wéér "actuele" - aanklacht tegen de niet zó oude, maar vooral 20ste-eeuwse, slaafsheid der Vlaamse "kopstukken" en, in hun kielzog, van een groot deel van het misleide en bedrogen volk, dat zich zelfs niet meer bewust is van zijn Nederlandse oorsprong en identiteit!

Spreek mij van 't eigen land! Noem één volk in Europa,
welks wezen zo misacht, geschonden, geschoffeerd!
Eén meerderheid die men als minderheid regeert!
Noem mij één tweede volk in gans beschaafd Europa!
Noem mij één volk welks taalgrens reeds tien eeuwen
Onaangetast bestond - doch thans geschonden werd...
In minder dan een eeuw vertrapt men Brabants' hert,
Waar ieder ander volk "
Te Wapen" zou voor schreeuwen!
Wij bloeden tweemaal reeds om grenzen van de Staat
Die amper honderd jaar! Doch dàt wat God gegeven,
De grenzen van ons bloed! De grenzen van ons leven!
Die worden neergetrapt - en Vlaanderen vergaat!
Al wie de strijd gestreên met méér dan lege woorden
En om het volksbestaan zijn leven ingezet,
Ontnam men àlles! - zelfs in naam nog van de Wet,
Of liet men, kort en goed, genadeloos vermoorden!
Noem mij één tweede volk in één beschaafd gewest!
Eén tweede volk in gans Europa!
En daarom bloedt het hart van al wie in 't verschiet
Dees dubbele ondergang als zinloos uitkomst ziet.

(16.1.1951)


Om opnieuw in te spelen op de - weer heel actuele - nood van het Vlaamse (én van heel het Nederlandse) volk, met name die aan een eigen volksverbonden - en NIET volksvreemde of vijandige - leider, diep ik uit René de Clercqs 'De Noodhoorn' het aangrijpende, sterke gedicht "
De redder" op.

De redder
----------------
"
Wij willen een leider, die leiden kan,
een sterke man, een harde man;
die geen vijanden telt en geen vrienden ontziet.
Wij willen een redder!" - Gij, roept hem niet.
Maar als hij komt uit eigen drang,
en gaat zijn wondere, hoge gang,
door velen gevolgd, met velen in strijd,
o, hoed u voor laster, hoed u voor nijd.
Want doornen groeien er scherp in de heg,
en stenen liggen te grijp langs de weg.
En het grauw voelt steeds als een brand in zijn bloed,
wat het liefst de profeet en de Heiland doet.
Gij, roept hem niet, noch benijdt hem niet.
Meer dan gij lijdt hij nood en verdriet,
eindigend eenzaam, die eenzaam begon.
Want zie: rechtvaardigheid is zijn zon!

René de Clercq
(uit 'De Noodhoorn', Nenasu, Utrecht, 1943)
Borms Van Severen Van Wilderode Verschaeve Dietsland