zaterdag 8 maart 2008

Revolutie tegen het regime ! - Gedichten als zweepslagen


Zowel dit volksvreemde, anti-Vlaamse en anti-Nederlandse regime als de slaafse "media", die de jongste weken, veel meer dan voordien, de woorden "België", "Belgen" en "Belgisch" tientallen keren per dag opdringen, bij wijze van hersenspoeling tot in de waanzin van "Belgische kunst", "Belgische literatuur" en "Belgische muziek" toe (Klara, Canvas, VTM enz...) als de lakse, gematigde "Vlaamse beweging" hebben zweepslagen nodig. De eersten om hen uit hun onaanvaardbare machtspositie te verdrijven, de "Vlamingen" om hen op te jagen, kleur te doen bekennen en zich te verweren. Hopelijk komt die wil tot het slopen van deze wan-staat massaal tot uiting bij de verkiezingen van volgend jaar...

Alleen de radicale actie-groepen blijven zich duidelijk en in het openbaar verweren: de vurige studenten van het KVHV, die op maandag 17 maart e.k. een "
Staten-Generaal tegen het regime" organiseren in Antwerpen, met fakkeltocht (19 u., Groenplaats) en strijdmeeting in de UFSIA (20 u., aula R002, Rodestraat), het NSV dat op donderdag 6 maart, mét de steun van Voorpost en KVHV, een felle en talrijk gevolgde betoging organiseerde in Gent, de nooit aflatende militanten van Voorpost en de échte "IJzerbedevaarders" van IJzerwake. Ook het ANZ verkondigt op het komende 71ste Zangfeest in het Sportpaleis op zondag 20 april een duidelijk "Manifest voor Vlaanderen"; Allen samen slechts enkele duizenden, maar elk van ons, 'radicalen, principiëlen, absoluten en "extremisten" ' (naar Ernest van der Hallen!) is wel honderd slappelingen of laksen waard. Het OVV (Overlegcentrum van Vlaamse Verenigingen) en de VVB (Vlaamse Volksbeweging) roepen wel op tot "mobilisatie" maar komen noch radicaal, noch revolutionair op de voorgrond.

"
Zingen maakt van gedachten krachten" zei Cyriel Verschaeve terecht en sterke gedichten leiden tot felle (strijd)liederen. Naast onze kostbare en zéér omvangrijke schat aan volkse strijdliederen, van de felle én vrome Geuzenliederen (vooral het Wilhelmus en 'Het Beleg van Bergen-op-Zoom' (Merck toch hoe sterck...)) over "Daar is maar één Vlaanderen" (René De Clercq) tot Van Wilderodes "Volk, word staat!" wil ik aan lezers van dit Utopia-domein (een Utopia dat bestààt, zoals Van Wilderode het bestempelde) een reeks gedichten voorhouden, die ze moeten lezen en voorlezen. Goede sprekers kunnen er voordrachten mee houden. Ik doe dit met Van Wilderode, Wies Moens, Ernest van der Hallen e.a. Deze gedichten moeten zweepslagen zijn tegen België, voor een vrij Vlaanderen en - wat later- voor een herenigd Nederland!

Ik verdeel "
mijn" gedichten over enkele blog-afleveringen. Vandaag het gedicht "Volk, word staat", dat op het Zangfeest als derde lied zal worden gezongen, in het teken van het Van Wilderode-jaar (tien jaar na zijn dood). De muziek schreef Herman Elegast.

Volk, word staat!
----------------------------
Volk, word staat, word Vlààmse staat
doe de kansen keren,
wéér wie u met slechte raad
om de wille van de baat
averechts regeren
zoveel slechte heren!

Volk, word staat, word Vlààmse staat
dop uw eigen bonen,
vecht zolang uw haart nog slaat
tot het vaderland bestaat
waarin straks uw zonen
beter zullen wonen!

Volk, word staat! De oude eis
nu in de felle gebiedende wijs!
Eindelijk, eindelijk eindigt de tijd
van uw beschamende horigheid.
Eindelijk neemt gij het lot van uw land
stevig in eigen hand!

Volk, word staat, word Vlààmse staat!
om als volk te leven.
Nacht die naar zijn morgen gaat,
morgenlicht en dageraad,
dag die onbeschreven
ons wordt toegegeven!

Anton van Wilderode
(1918-1998)

Een krachtig gedicht dat nog sterker wordt door het lied, dat we op 20 april des te feller zullen zingen, wegens zijn strijdbaarheid en zijn treffende actualiteit!

In dezelfde toonaard van verweer tegen "
Belgisch" - of eigenlijk Frans - knechtschap, in Groot-Nederlandse of gewoon Dietse, Nederlandse geest, klinkt het grote gedicht "Al waart gij allen klein..." van Wies Moens (1898-1982), dat mijn naamgenoot-geschiedschrijver Pieter Jan Verstraete treffend toepaste op Karel Dillen zaliger in zijn jongste, herwerkte en aangepaste, biografie van deze Vlaamse politicus, die rebel bleef (2007). Ik trof het ook aan in een bloemlezing met revolutionaire poëzie, "Gelaat der Dichters", samengesteld door de grote Nederlandse dichter Henri Bruning en uitgegeven door 'De Amsterdamsche Keurkamer' in 1944, nog helemaal in de geest van "De Nieuwe Orde", die ook aanleiding gaf tot veel sterke en waardevolle gedichten, in Noord- en Zuid-Nederland. Al zal het nog lang duren eer de letterkundige, historische en stilistische waarde van die sterke, rebelse en andere poëzie "officieel" wordt erkend, dat dan om "politieke" redenen.

Al waart gij allen klein....
-----------------------------------
Al waart gij allen klein, kortzichtig tot het eind,
al zoudt gij mij ten muur verwijzen, wreed en dom,
nog rukt' ik laatste kracht bijeen en riep:
ik ben uzelf, mijn volk, - dat leefde in mij,
en weinigen met mij, den geest vervuld
van 't recht verlangen der geslachten die,
door damp en rook, stuurden u deinend schip
ter hoge zee!

Gejukt, aan vreemden dienstbaar, stondt gij vrij in mij.
Beguicheld en begekt, verhieft gij u in mij.
Gestoten getrapt, verwon uw wil in mij.
Verworpen, vondt gij steeds uw troon in mij.

Dit is mijn tr'ots, o volk:
dat ik uw beeld heb in mijn ziel gedragen,
gaaf en schoon, wijl gij u krenken liet
en bracht den krenker eer en dank daartoe;
niet ik alleen: een luttel hoopje nog
van mannen die voor goud noch lauwerkrans
te koop zijn, liever wolf in 't bos
dan vette hond, de keten om den hals!

Rooft gij den dag ons, blind, met dolle hand
eens zingen harde ploegen onze trouw:
"Wijl knechtschap in deez' gouwen 't merg verdierf,
duldden zij nooit of nimmer àndren band
dan den onbreekbren, door God zelf gesmeed,
den wezensband, die hecht op leve' en dood
de kindren samen van één vaderland.
Zij waren 't volk geheel, daar 't zwoer in hèn,
te zijn volkomen naar den wil van Hem
die gaf élk volk een eigen aangezicht,
ten klaren spiegel van Zijn eeuwig licht.

WIES MOENS
( uit 'Het Vierkant', 1938)

Even actueel en zéér toepasselijk op elk Belgisch of "
Belgisch-Vlaams" compromis is de volgende, sterke waarschuwing van de felste anti-Belgische, want Dietse dichter René De Clercq (1877-1932)

Niet met elkendeen
--------------------------------
Sluit niet, tegen uw geweten,
Om de macht een slecht verbond.
Die uit elke teil kan eten
Is de echte hond.

Die naast elke knie kan knielen
Heeft een slavenaard.
Slechts een volk van hoge zielen
is der vrijheid gaven waard.

René De Clercq
(uit "De Noodhoorn",
zesde druk, 1975)

Spot en scherpe satire waren het waarmerk van De Clercq krachtige en zangerige poëzie.

In mijn rijtje van volksverbonden en strijdbare dichters hoort er één niet thuis, die ik nochtans bijzonder graag lees en waardeer. Ik haal hem hier even uit de vergetelheid - zoals het in Vlaanderen met vele gote dichters en schrijver gebeurt -: de satirische, pessimistische en illusieloze, Oostendse dichter August Vanhoutte (1889-1936), voor wie de schoonheid van poëzie, wellicht een zeldzame troost voor hem, de tragiek van zijn eigen, korte leven en dat van zovelen wat deed vergeten. Met één van zijn talrijke vormvast en klassieke kwatrijnen - die hij dagelijks schreef! - besluit ik. Het is geslaagde en juiste schimpscheut op de bedenkelijk en bedrieglijke - dus wel "
Belgische" in het achterhoofd - democratie. Elke "Vlaams-Belgische" "leider" zou het onder de ogen geduwd moeten krijgen!

Democratie
------------------
Sluit u bij fracties noch partijen aan.
- Weet, elk van hen legt het derwijze aan
Opdat het volk 't volk uitbuit voor den volke,
Terwijl de leiders aan het schransen gaan.

August Vanhoutte
(uit 'De verwarde kalender, 1938)

zondag 2 maart 2008

De Katharen: rebellen tegen kerkelijke en staatse macht



Na herhaaldelijk één der zuiverste, radicaalste en veelzijdigste gestalten uit onze Vlaamse, Dietse ontvoogdingsbeweging in een helder licht te hebben gesteld, mét de blijdschap dat er, vanuit academici, studenten en nationalistische groepen, opnieuw een toenemende aandacht is gegroeid voor hém, de vroeg gestorven romanticus en idealist Ernest van der Hallen, komt mij -dank zij een colloquium daarover- een andere, "afwijkende" en opstandige groep van mensen voor de geest. Wees niet verbaasd: ik, overtuigd nationalist, Dietser én katholiek (al koos ik in 't Pallieterke voor een Geuzennaam...), haal hen en hun beweging, te voorschijn uit ... het middeleeuwse Frankrijk: de katharen of Albigenzen (naar de Zuid-Franse stad Albi)! Op zaterdag 1 maart organiseerde het Davidsfonds immers in Antwerpen een colloquium over hen en over hun -christelijke!- Gods- en wereldbeschouwing. Voor het katholieke Davidsfonds - als dat nog zo is ... - is dit wel een ongewoon thema.

Ik weet het wel: Nest van der Hallen was en bleef een trouw katholiek, spijts de hevige vervolging door het Belgisch episcopaat van "zijn" diepgelovig AKVS, dat het echter waagde zich tot het Vlaams-nationalisme te bekennen, reeds in 1925, 80 jaar voor het huidige, strijdbare KVHV! Omdat hij een vrije, zelfstandige jeugd- en studentenbeweging nastreefde, vrij in optreden (het "gevaarlijke" nationalisme) en werking, maar zuiver christelijk, werden hij en zijn AKVS zwaar tegengewerkt door de kerkelijke en wereldlijke overheid. De - Belgische! - brandstapel ontbrak er nog aan!

Gnosticisme

De Katharen van de 12de en de 13de eeuw, die hun aanhangers en verdedigers vooral verzamelden in het uiterste zuiden van Frankrijk -"la fille ainée de l' Eglise"- waren wel felle en zeer standvastige rebellen tegen de oppermachtige katholieke Kerk en -twee handen op één buik- tegen de centraliserende Franse centraliserende staat, in de persoon van zijn - meestal tirannieke - koning. Zij weken van de katholieke leer en overlevering af omdat zij hun godsdienst baseerden op de leer van het gnosticisme, die ontstond in de eerste eeuwen na Christus. Eén van de belangrijkste bronnen voor de katharen was de theoloog Origines (185-254). Het katharisme behoort tot een historische continuïteit, die minstens even oud is als het orthodoxe katholieke geloof: het gnosticisme.

Dit woord is afgeleid van het Griekse "gnosis" (kennis, weten). Het "katharisme" stamt van het Grieks "katharos" (rein, zuiver) en verwijst ook naar "katharsis", d.w.z.: loutering. Deze aparte, maar niet minder christelijke vorm van geloof en geloofsbeleving - met o.a. ook geloof in de reïncarnatie of wedergeboorte - legde de nadruk op het streven naar zuiverheid en volmaaktheid: de besten in dat streven waren "les parfaits" ("perfecti"=volmaakten). Even belangrijk was de kennis van zichzelf en de openbaring van God. In Zuid-Frankrijk kwamen de katharen, onder wie (rijke en machtige) edellieden, burgers en kooplui, naast eenvoudige handwerkers, tot grote bloei in de 12de en 13de eeuw. Het was de tijd van de predikingen van de H. Bernardus van Clairvaux en van de H. Dominicus (Domingo de Guzman), die de "afgedwaalde ketters" moesten terugbrengen naar de "Moeder-Kerk" ... De kerkelijke overheid - in Rome en in Frankrijk - vreesde en haatte deze "afwijkingen" en bestreed ze reeds sinds de eerste eeuwen na Christus.

Inquisitie

Pas in 1229 werd de Inquisitie door de Kerk ingesteld door het Concilie van Toulouse en zo konden kerkelijke machthebbers "carte blanche" geven aan wereldlijke uitvoerders - in die tijd massale kruisvaarderslegers om de "afvalligen" te straffen. En dat kwam in veel gevallen neer op de ... brandstapel. Voor het woord "ketter" (hérétique) sidderde en beefde iedereen in de Middeleeuwen, ook de machtigsten. In heel Zuid-Frankrijk vonden de katharen, vanaf het begin van de 12de eeuw - de grote bloeitijd van de Romaanse kunst! - een ontvankelijke voedingsboden in het vrijheidslievende Occitanië, de Languedoc (= de streek van de "langue d'oc", de Occitaanse taal) met steden als Carcassonne, Montpellier en Toulouse en verscheidene andere gewesten ten noorden en in de Pyreneeën. De koningen van Frankrijk en zijn machtige vazallen vreesden voor de uitbreiding van de kathaarse beweging die, met de landheren van Occitanië naar meer zelfstandigheid van dit gebied streefden. Omstreeks 1200 werd een gigantisch kruisvaardersleger, geleid door de wrede Simon de Montfort naar de opstandige, "ketterse" streek gestuurd. Prachtige en sterke steden als Béziers en Carcassonne werden veroverd en de inwoners het slachtoffer van massamoorden! Montfort zette zijn verwoestende tocht verder tot de katharen zich moesten overgeven. Na de overgave van het onneembare kasteel van Peyrepertuse en van Toulouse bleef nog de hoofdzetel van het katharisme, de burcht van Montségur, als laatste bolwerk - de "synagoog van Satan" - over. Meer dan een jaar lang boden de "parfaits" daar weerstand. De belegerden gaven zich over in maart 1244 en kort daarna betraden 225 katharen, die hun geloof niet wilden afzweren, zingend een immense brandstapel aan de voet van de "pog" (heuvel). Een zware slag voor de kathaarse Kerk. Haar organisatie werd onthoofd. Elf jaar later, in 1255, vielen de burchten van Quéribus en Puylaurens. Dat waren de laatste militaire acties van een oorlog die 45 jaar het land teisterde en ongeveer één miljoen slachtoffers eiste.

Hoge cultuur en verdraagzaamheid

De Occitaanse adel legde de wapens neer, sommige edellieden vluchtten naar het buitenland. Het katharisme bleef clandestien voortleven. Grote verantwoordelijken voor de harde, onverzoenlijke "kruistochten" tegen de katharen waren paus Innocentius III en de Franse koningen Filips-Augustus, Lodewijk VIII en Lodewijk IX, die eigenlijk alleen Noord-Frankrijk bestuurden terwijl het Zuiden in handen was van Occitaanse, Provençaalse en andere graven. Deze laatsten wilden hardnekkig de zelfstandigheid van hun - cultureel en artistiek - veel hoogstaander land, dat zeer gesteld was op zijn vrijheidsliefde en verdraagzaamheid, vrijwaren. De grondleggers van de hoofse minnelyriek en de vertellers ook van de grootse, epische Graal-romans (de Graal, de kelk waarin Jozef van Arimatea het bloed van Jezus opving ...) waren de troubadours of "trouvères" in de Provence en de Languedoc, o.a. Chrétien de Troyes. Die eerste poëzie van hoog niveau (12de-13de eeuw) bereikte onze Germaanse gewesten via de Limburgse hoofse dichter Heinrijc van Veldeke, die deze traditie doorgaf aan de Duitse "Minnesänger", zoals Harmann von Aue en Walther von der Vogelweide.

Elke vergelijking loopt natuurlijk wat mank, maar toch zijn er gelijkenissen tussen de strijd van de katharen en die van de christelijk-gelovige flaminganten, Vlaams-nationalisten en Dietsers tegen de tirannieke, volksvreemde Noord-Franse staat, die België was en is.

Ik weet het, mijn verhaal loopt lang uit, maar ik wil het a.h.w. samenvatten in een ballade die ik na mijn zomers verblijf in de Languedoc en met name in Corbières, streek van katharen en van heerlijke wijnen, eind augustus 2007 heb geschreven. Wie een sterke, historisch goed gefundeerde, fantasierijke én magisch-realistische, Vlaamse roman over deze heroïsche gebeurtenissen wil lezen, moet teruggrijpen naar "Op weg naar Montségur" (1978) van Valère Depauw. De auteur was ooit een Vlaamse én een Europese volksnationalist. Hij schreef over de strijd van kleine mensen en volkeren in het Avondland, o.a. ook over de Bretoense strijd, in 'Breiz Atao'. Jammer genoeg is de uitgeverij Orion (Brugge) die dit boek, één der beste van Depauw, uitgaf, jaren later verdwenen. Misschien vinden mijn lezers het nog in een goed antiquariaat...

Hier volgt de ballade:

Ballade van de katharen
-------------------------------------

In Frankrijks ruwe zuiden, in de verre Languedoc
trokken wij, langs bossen en van stad naar dorp,
terwijl wij dachten aan die verre , donkere tijden,
toen de trotse volksgetrouwen, de "perfecten",
een storm van wreedheid en van onheil wekten.
Kerk en koning wilden kost wat kost vermijden
dat dit land het eigene en ware zou belijden!

Ruw grepen Franse heren van de staat en Kerk
naar het "beproefde wapen" van die tijden:
een "kruisvaart" tegen die katharen, christenen
met diep geloof en zuiver streven, de gewijden
van een beter leven, aan land en volk getrouw.
Die eigenheid, dat eerlijke verweer: een klauw
was 't in het oog van staatse, Franse macht

De Occitanen van de twaalfde eeuw, al even trots
als hun zuidelijke, felle buren, Catalanen,
in taal en teken al evenmin zo Spaans
als ooit de Occitaanse katharen Frans!
Het werd een felle strijd, een hopeloos verweer
tegen Simon van Montfort, harde heer
in dienst van Franse en kerkelijk-Roomse macht.

De inquisitie, etterende wonde op 't gelaat der Kerk,
werd in het Occitaanse land geboren en zaaide
eeuwen lang verderf en dood over 't christelijke Westen.
Maar het kathaarse vuur werd niet gedoofd:
geloof en trouw, besef van eigenwaarde,
die deugden bleven smeulen, in Frankrijk,
maar ook in andere landen, tot in Vlaanderen.

Erik Verstraete

(Languedoc, oogstmaand 2007)

(Reacties op deze tekst en alle andere teksten zijn van harte welkom en zou ik zelfs ten zeerste waarderen. De reactiemodule op deze blog is daarvoor gemaakt.)

vrijdag 29 februari 2008

Ernest van der Hallen: hernieuwde aandacht voor romantisch idealist !


Het is wonderlijk en zeldzaam in een -vrij harde en materialistische- tijd als de onze dat een bij vele Vlamingen, ook bij flaminganten en nationalisten, vergeten of "weggedeemsterde" romantische idealist als de schrijver en jeugdbezieler Ernest van der Hallen (1898-1948) opnieuw veel aandacht krijgt. In de eerste vijftien-twintig jaar na zijn vroege dood, op 24 februari 1948, trokken geregeld jongeren en ouderen naar zijn grafmonument op het kerkhof Kloosterheide, bij Lier, maar in de jaren 1960 en '70 verminderde dat. Zestig jaar na zijn dood is de historische afstand zo groot geworden dat de -onterechte - vooroordelen zijn weggevallen. Zo is er bij een kern van jongeren, met name bij studenten van het KVHV een heimwee gegroeid naar de vernieuwende romantiek van "de Nest", met name een zelfstandig werkende jeugd- en studentenbeweging - wat hem de woede van het belgicistische episcopaat op de hals haalde! -, trektochten in de natuur, bouworde, dienstverlening aan noodlijdenden en een authentiek, franciscaans christendom! Uit al die nieuwe, anti-burgerlijke stromingen en levenshoudingen die Van der Hallen belèèfde en aan duizenden jongeren, via contacten én boeken, doorgaf, blijkt van welke onschatbare waarde zijn leven en zijn opvoedende arbeid voor de toekomst van Vlaanderen en voor de Vlaamse ontvoogding is geweest. Pas nu beginnen enkele bewuste intellectuelen én studenten dat echt te beseffen !

Zo wijdt sedert enkele jaren prof. Dirk De Geest in zijn cursus Nederlandse literatuurgeschiedenis aan de KU-Leuven, in het hoofdstuk over het interbellum, aandacht aan het werk van Ernest van der Hallen en leest hij ook fragmenten uit o.a. "
Vertelsels in Juni", een treffend voorbeeld van lyrisch proza. Anderzijds belicht hij ook de door Van der Hallen, Timmermans en Flor van Reeth in 1924 gestichte Pelgrimbeweging voor een vernieuwing en modernisering van de religieuze kunst.

Anderzijds heeft Lode van Dessel, oud-burgemeester van Nijlen, in de voorbije jaren gezorgd voor een fraaie restauratie van het grafmonument van de schrijver, een Kempisch kapelletje met heldenhuldezerk, werk van Nests vrienden Flor van Reeth en Remi Lens. Het bewijs dat er weer meer belangstelling en bewondering voor deze nonconformist, idealist en Vlaams-nationalist, werd geleverd door de twee voorbije herdenkingen, n.a.v. de 60ste verjaardag van zijn overlijden op 24 februari jl. Veel Vlamingen -en niet alleen de traditionele Vlaamsgezinden- schaarden zich rond het graf op zaterdag 23 februari. De organiserende verenigingen, de Van der Hallen-Gemeenschap en het KVHV, brachten wel een 150 "
pelgrims" - om in de geest van Ernests vernieuwende kunstbeweging "De Pelgrim" te blijven - samen. Ook voor de herdenking door Voorpost, op zondag 16 maart, is er veel belangstelling.

Ernest van der Hallen was een romanticus en een nonconformist van het zuiverste water. Zijn beste vriend, Felix Timmermans, zei het als volgt: "
De Nest, dat is zuiver goud". Die romantische glans, die typische drang naar de verte, naar het verleden, maar vooral meer schoonheid en liefde tussen de mensen, raken het hart en de ziel aan van de ontvankelijke lezer van met zijn idealistische romans, vertellingen, sprookjes, reisverhalen, biografieën van kunstenaars en heiligen en vormende brieven. Ik noem slechts de voornaamste: 'Sprookjes uit den Zomernacht' (1924) 'De wind waait' (1932, 77.000 exemplaren verspreid!), 'De aarde roept' (1934), 'Brieven aan Jonge Vriend' (1932), 'Charles de Foucauld' (1937), 'Tussen Atlas en Pyreneeën' (1938), 'Vertelsels in Juni' (1944), 'Brouwer' (1943, over de schilder Adriaan Brouwer), 'Kroniek der Onnozele Kinderen' (1947) en 'Brieven aan Elckerlijc' (1947). Die herontdekking van Ernest van der Hallen toont aan dat studenten, jongeren én ouderen nood hebben aan een zuivere figuur, die weer moed, geloof, liefde en schoonheid kan schenken, dat er dringend een tegengewicht nodig is, een tegengif tegen de nu heersende middelmatigheid op alle gebied, tegen de leegte!

"De Nest", de muziek en het lied!

Na deze synthese van de schrijver en voorman Van der Hallen, wil ik hier even het verband toelichten tussen zijn persoonlijkheid, zijn werk en de muziek en het (volkse) lied. En dat bestààt. Er zijn wel geen liederen op gedichten - hij publiceerde weinig of geen gedichten - of teksten van hem gecomponeerd, toch is er één lied, dat is geïnspireerd door het populairste boek van de Nest, het zwerversverhaal 'De wind waait'. Neel Vingeroets schreef de tekst, een dichterlijke evocatie van het boek en hij schreef er ook de muziek voor. De tekst luidt als volgt: "
Mijn paardeken trekt stapvoets de wagen voort,/ langs de bosrand op 't zandige pad./ Ik trek als een zigeuner de streken door;/ 'k zei het leven vaarwel in de stad. (refrein:) Want hier waait de wind, de wind waait,/ voert de geur mee van den en van hei./ Want hier waait de wind, de wind waait,/ al de dagen en maanden voorbij." Dan volgen nog een tweede (over de speelman) en derde strofe (over de vertellende sprookjesvrouw). De muziek is opgewekt en voor stapmaat geschreven. Het zou wel eens mogen worden gezongen worden op ons Zangfeest. Dit jaar was het wat te laat om Van der Hallen en zijn werk, o.a. het ontroerende "Sprookje van de knaap met de drie gouden harten" uit 'De wind waait' als voordracht, nog in te schakelen. Ik heb er wel voor gepleit.

In verscheidene werken laat de auteur de muziek en meer concreet rondtrekkende muzikanten of speelmannen, zoals in 'De wind waait', én musici voor een publiek, zoals de cellist en de pianist in 'De aarde roept' een rol spelen. De sfeervolle 'Vertelsels in Juni' zijn "
verhalen van muziek en dood". Zelf speelde hij, in de stille wijding van zijn piepklein "Ruusbroec-huisje" op het Lierse begijnhof, graag voor vrienden en jongeren, op zijn harmonium: Bach, Schubert en Gregoriaans... En reeds van in het begin der jaren 1920, toen vele studenten en scholieren hem daar kwamen opzoeken en om raad vragen, trok hij met een groep jongeren naar de dorpen rond Lier en verder om, zingend en begeleid door mandolines en gitaren, aan de kerken na de hoogmis op zondagvoormiddag de liefde voor Vlaanderen te prediken. Met de vervolging van de activisten en in sfeer van ontreddering na de Eerste Wereldoorlog, waarbij Vlaamsgezindheid het ook al moest ontgelden, was er grote nood aan herbronning en herstel van de Vlaamse (studenten)beweging, met name van het AKVS, dat later in de jaren 1930 door de kerkelijke overheid werd gefnuikt. Dat was de bitterste ontgoocheling van Van der Hallens leven.

Zingen -al viel het zélf zingen hem wel eens zwaar door zijn astma-crises- verblijdde hem altijd, op de vele gouw- en landdagen van het AKVS en op jeugdkampen bij het vuur. Hij zat dan, zalig glimlachend zijn pijp te roken. Dan kreeg zijn rustig verhaal de nodige wijding en aandacht. De Nest was een begaafd spreker, met de nodige idealistische bezieling, maar ook met humor en enig acteertalent.

Ik besluit met een citaat van Van der Hallen, dat a.h.w. voor deze tijd is geschreven: "
Het is een ontzaglijk voorrecht in een tijd als deze het geloof in de geest en in het irrationele hoog te houden, nu voor miljoenen mensen nog enkel de mystiek van het getal en van de motor geldt. Het is een voorrecht het geloof in de eeuwige waarden te prediken; de strijd aan te gaan tegen de duistere machten der verwording en der ontaarding; de adel en de schoonheid te herstellen tegen de dwang der banaliteit en der lelijkheid".

Je ziet de Nest helemaal voor je (geestes)oog, als je volgend gedicht van zijn goede Lierse vriend, de dichter Jozef L. (Jef) de Belder leest:

Herinneringen aan de dode vriend
------------------------------------------------
Herinneringen aan de vele tochten
met je bootop de Nete, als zwevend over de dijken
in de zon. En de weiden en het verre bos
en de namiddag over het land. En dan de vrede in je kamer
onder de bomen bij het rustig-ademend harmoniumspel
dat Bach of Schubert of het Salve Regina vertolkte
wanneer de avond mild werd voor de enkele vrienden
voor wie het geen echte zomeravond was zonder uw stil verhaal.
Wij waren gelukkig toen, als uw zonen te zijn.
En het zwerven met jou door de dennebossen
of de avonden onder de grote maan boven het kampvuur
als jij ons vertelde van je reizen naar het oosten
en van je vrienden in de Libische woestijn.
En de liederen die wij zongen op het marktplein
van een of andere kleine zonbeschenen stad
of het spel dat wij speelden voor de kinderen in de dorpen
terwijl jij glimlachend je pijp zat te roken in het gras
en gelukkig waart omdat wij uw boodschap hadden verstaan.
En het huis dat wij bouwden op de heide,
het tehuis voor allen die uw roep hadden gehoord,
war wij zouden toeven als in een stille abdij.
Wij waren gelukkig toen omdat jij bij ons waart,
ons leven richtte en in onze harten een bestendig lied deedt zijn
hoewel je eigen tenger lichaam droeg het teken van de pijn.
En de goede wijsheid van uw raad steeds
en de hulpvaardige trouw van uw groot, rijk hart...
Toen was het dat de kleine, felle vlam
die heel mijn verder leven bleef doorgloeien
in mij ontstoken werd: gij hebt van mij gemaakt
de dichter (én de man die u eeuwig dankbaar daarvoor zal zijn).
Eén ding sijt mij nog steeds: dat ik bij u niet was
toen broeder dood u roepen kwam voor de tocht naar giner...
(Ik was niet hier toen). Pas veel later kon il leggen op je graf
de rode bloemen van de herfst, als mijn laatste hulde
aan u, die eens mijn beste vriend en milde meester was.

(Foto boven: Ernest Van der Hallen en Frans Mertens bij de Djelladine-poort in Kairoean - 1935)

donderdag 21 februari 2008

Ernest van der Hallen: romanticus en christen van 't zuiverste goud


De lezers of bezoekers van dit "utopisch internet-boek" lezen wellicht ook 't Pallieterke, waaraan ik geregeld meewerk. In het nummer van deze week (woensdag de 20ste van deze mistige sprokkelmaand) vinden zij op bladzijde 5 een paginagroot artikel van mijn hand over Ernest van der Hallen. In de voorbije weken heb ik, op deze weblog, reeds twee maal aandacht gevraagd voor deze pure figuur uit de Vlaamse ontvoogdingsstrijd, van wie niemand minder dan zijn Lierse vriend Felix Timmermans ooit zei: "De Nest, dat is zuiver goud!": op 10 januari, onder de titel "Ernest van der Hallen en Anton van Wilderode", en op 25 januari, onder de titel "Ernest van der Hallen, katholiek bevochten door... katholieken".

Eigenlijk moet ik daar, voor wie het artikel in 't Pallieterke heeft gelezen én deze twee blog-teksten, niet veel essentieels meer aan toevoegen, al valt er nog zo veel te vertellen over de échte vernieuwer, de nonconformist, de radicale Vlaams-nationalist en de zuivere franciskaanse katholiek die "de Nest" is geweest. Ik wil me hier beperken tot een poëtische benadering van "de dichter", zoals Albe hem in een In Memoriam-gedicht terecht noemde. In zijn lyrisch proza, in zijn reisverhalen en in zijn bevlogen-romantische romans, met "De Wind Waait" (1932) als hoogtepunt, wàs hij een zeldzaam, vertellend dichter, wiens verheven en diepe religiositeit, wiens intense liefde en schoonheid deden denken aan andere groten uit de Europese romantische dichtkunst, met name aan de aan TBC bezweken Duitser Novalis (Friedrich von Hardenberg, 1772-1801) en aan de grote Engelse romanticus John Keats (1795-1821). Diens kerngedachte, uit een brief aan een vriend, geldt ten volle voor Nest van der Hallen: "I am certain of nothing, but of the holiness of the heart's affections ans the truth of imagination" (Van niets ben ik zeker, behalve dan van de heiligheid van de affecties van het hart en van de waarheid der verbeelding!). Wonderlijk-romantisch, idealistisch, maar zuiver en waar en geheel wars van deze ontredderde en harde tijd! De adel, het rechtvaardigheids- en schoonheidsgevoel, de warme liefde van zijn oprechte hart: die deugden waren in Nests tijd al zeldzaam, maar zijn het nu nog veel meer.

Het pijnlijkste van alles is wel dat de overheid van de katholieke Kerk, wier geloofsleer, liturgie en moraal hij zo trouw en spijts alle tegenwerking heeft voorgehouden aan zijn lezers en aan de Vlaamse studentenbeweging, juist hém heeft gefnuikt en gebroken. Waarom? Omdat hij een zelfstandige Vlaamse en nationaalbewuste studenten- en jeugdbeweging, in het spoor van Rodenbach, verdedigde en steunde. In Van der Hallen heeft een verpoliekt, belgicistisch episcopaat het Algemeen Katholiek Vlaams Studentenverbond, het roemrijke, diep-gelovige AKVS, vervolgd en gebroken, omdat de leiding ervan zich sedert 1925 had bekend tot het Vlaamse en in wezen ook (Groot-)Nederlandse nationalisme, terwijl juist die Kerk het recht op zelfstandigheid van onze jeugd en van ons volk had moeten steunen en verdedigen!

Toch is de Nest trouw gebleven aan zijn geloof in de Kerk, gedreven door zijn eerlijk en warm hart, door zijn drang naar Liefde en Schoonheid. Hij bleef, in boeken, in handelen en spreken rechtvaardig én vergevensgezind, ook tegenover hen, priesters en leken, die hem en de vele Vlaamsgezinden op zijn begrafenis, ook na zijn ellendige en pijnlijke dood, met haat en spot bejegenden. Vanuit een volksvreemde, verliteratuurde mentaliteit liet een priester en letterkundige zijn nagedachtenis besmeuren en dan nog achterbaks, met de vaardige pen van een vooraanstaand Noord-Nederlands schrijver, die Nests ingetogen uitvaart "een betoging van een greep zwarten" noemde... Beiden zijn reeds lang overleden en zélf wil ik, in de geest van de prachtige vergevensgezindheid van de Nest in het "Geestelijk Testament" op zijn doodsprentje, hun namen niet meer noemen!

Ontmoetingsdag in Lier
------------------------------------

De tijden zijn veranderd en met een groeiende Vlaamse én - zij het in mindere mate Dietse - bewustwording en ontvoogding is Ernest van der Hallen niet vergeten en is zijn grote waarde voor onze geestelijke ontvoogding, met name in de literatuur, de jongste tijd meer erkend dan eerder. Daarvan getuigt, nu zaterdag 23 februari,de

VAN DER HALLEN-ONTMOETINGSDAG

in LIER

n.a.v. 60ste verjaardag van het overlijden van jeugdbezieler en Pelgrimschrijver Ernest van der Hallen

---------------------------------------------------------------------------------

15 u. Bijeenkomst bij het grafmonument op kerkhof "Kloosterheide" te Lier (deelnemers die per trein komen worden onthaald aan het station van Lier, tussen 14 en 14.30 u.)

Aan het graf wordt het woord gevoerd door:

- Rien Vandenberghe, nationaal praeses KVHV;
- Lode van Dessel, oud-burgemeester van Nijlen, over de recente restauratie van het monument;
- Guido Van der Meersch en Erik Verstraete, namens de Van der Hallen-Gemeenschap.

17 u. Eucharistieviering in de Sint-Pieterskapel (naast Sint-Gummarus).

Daarna: ontmoeting in het Vlaams-Nationaal Centrum, Berlarij 80, Lier; zangavond in zaal Kempenland te Nijlen.

Ik besluit deze ode aan één van de grootsten uit de Vlaamse, dus ook Nederlandse, volksontvoogding met een citaat uit zijn "Brieven aan Elckerlijc", dat aantoont hoe Van der Hallens bekommernissen actueel en tijdloos waren en zijn:

"Het is een ontzaglijk voorrecht in een tijd als deze het geloof in de geest en in het irrationele hoog te houden, nu voor miljoenen nog enkel de mystiek van het getal en van de motor geldt. Het is een voorrecht het geloof in de eeuwige waarden te prediken; de strijd aan te gaan tegen de duistere machten der verwording en der ontaarding; de adel en de schoonheid te herstellen tegen de dwang der banaliteit en der lelijkheid".

zaterdag 16 februari 2008

Elf schilderijen in Mortsels stadhuis tonen "andere" Hugo Heyens


(Zelfportret Hugo Heyens)

Maandagavond 11 sprokkelmaand - volkser en mooier dan het Latijnse "februari"! - was ik in het stadhuis (...) van mijn eigen "geboortedorp" Mortsel, destijds een "schone" gemeente, waar ik opgroeide als kind, adolescent en flamingant en waar ik, al was ik van "het dorp", de familie Van der Hallen, met name dan de tak van Oscar, jongere broer van Ernest, in de Dieseghem-wijk leerde kennen. Aan deze loot van de Van der Hallen-stam ontsproten twee zonen, de begaafde kunstschilder Wouter en Dirk, beiden overleden, en vijf dochters, Leentje, Katelijne, Teresa, Begga en Kristien, die in de jaren 1950, '60 en '70 dé bekoorlijkste schoonheden waren van heel Mortsel en op wie wij, stoere jongemannen in blauwe KSA-uniformen van de Sint-Lodewijksbond aldaar, hopeloos maar vergeefs verliefd werden.

Ook daar valt een boek over te schrijven, maar mij was het vorige maandag te doen om kunstschilder en tekenaar Hugo Heyens, echtgenoot van dichteres Katelijne van der Hallen. Reeds op 19 juni 2007 schonken Hugo's weduwe, in overleg met haar kinderen, elf schilderijen aan de stad Mortsel, voor een gezamenlijke verzekeringswaarde van 34.500 euro.- Mijn lieve vriend "
Den Hug" was één der grootsten van de talrijke Mortselse artiestenbent. Al koos hij zelf, de feestelijke mens (!), in zijn slopende zwaarmoedigheid als 45-jarige in 1987, voor zijn levenseinde, zijn talrijke schilderijen en tekeningen -die ten dele in de artistieke en romantische geesteswereld van de Vlaamsgezinde en katholieke Van der Hallen-stam een voedingsbodem vonden- behoren tot het pure kruim van de Vlaamse religieuze en laat-expressionistische kunst! Dat heeft o.a. ook Anton van Wilderode -voor wiens Horatius-vertaling "Liederen uit mijn landhuis" Hugo fijne illustraties maakte, gezegd.

Naar aanleiding van de twintigste verjaardag van Hugo's overlijden vond eind vorig jaar in het Mortselse stadhuis een uitgebreide tentoonstelling plaats van zijn tekeningen. Die hebben daar zopas een plaats gekregen in de "
kabinetten-gang" op de begane grond. Enkele familieleden en vrienden woonden de overhandiging van de schilderijen in deze kunst-gang bij. De jeugdige cultuurschepen Peter Hardy -kleinzoon van literatuurcriticus Paul Hardy- dankte de familie en schonk aan Katelijne zowaar een ere-medaille van...Bert Anciaux, van wie nog altijd wordt verwacht dat hij voor...cultuur instaat. Op de medaille stond niet de naam Hugo Heyens, maar wel... Bert Anciaux!

Keuze, aard en stijl van deze schilderijen werden deskundig en voorbeeldig toegelicht door kunsthistoricus Paul Verbraeken. Hij wees er op dat de elf doeken in het stadhuis een "
andere" Heyens tonen dan de vele werken, die de zwaarmoedige pessimist, de wanhopige mens, de eenzame artiest laten zien. Vormgeving, stijl en kleuren van deze elf werken tonen een geheel eigen visie. Er zijn de fraaie naakten, de ongewone portretten, de beelden van eigen tuin én, apart, in het kabinet van de schepen: de wat droefgeestige gestalte van de beste vriend ten huize Heyens-Van der Hallen: de "vederlichte danser" en choreograaf Heiko Kolt, in Warschau geboren uit een Estse moeder en een Russische vader. De bewonderende observator haalt het in deze werken van de pessimistische, tragische kunstenaar van de wereld als knekelhoop van beenderen en doodskoppen. Uiteindelijk werd Heyens' tragische afkeer van onze materialistische, ongelovig geworden en zielloze wereld de sterkste drijfveer voor veel werken.

Wie dit zeldzame werk wil bekijken dient even het stadhuis van Mortsel, aan de Liersesteenweg, tegenover het station van Mortsel- Oude God binnen te stappen.

vrijdag 8 februari 2008

"Steeds weer de zegger zijn"... (Wies Moens)


Dit is een soort van blog - "internet-dagboek".... - waarin poëzie, nationale trots, voornaamheid en schoonheid integraal indruisen tegen de collectieve verdwazing en banalisering van de platte massa van alle gedrukt en elektronisch geschrijf, als spiegel van een samenleving die kreunt onder "ondraaglijke lichtheid". Is een betere, rechtvaardiger en waardiger samenleving, is mijn "Utopia dat bestààt", zoals Anton van Wilderode in 1981 bij mijn dichterlijk debuut "Verloren Land" schreef, nog mogelijk? Ik laat de vraag open, maar zélf blijf ik erin geloven, als ik de geestdrift voor "het échte, het grote, het goede en schone", zij het bij kleine groepen van bewuste en strijdvaardige jonge mensen, waarneem. Zij volgen dus -opnieuw !- Wies Moens: "Van al het échte, nu zo ruw vertrapt,/ al 't grote, dat men rukte neer,/ het goede en schone, wredelijk ontluisterd,/ wil ik steeds weer/ de zegger zijn!" Die weerbaarheid, die honger naar waarachtigheid, naar schoonheid (voornaamheid, orde, stijl!) en rechtvaardigheid stel ik meermaals vast als ik lezingen geef over Vlaamse, Dietse - én in vele gevallen - christelijk-gelovige voormannen en kunstenaars als Wies Moens, Ernest van der Hallen, Anton van Wilderode en Alice Nahon. Er is inderdaad een kentering aan de gang en die moet groeien. Tegen de verdwazing, uitholling, vervreemding (én... de uiteindelijke overlevering aan een Islam-dictatuur in het Westen) moeten wij ons organiseren en verweren.

Als dichter, journalist en spreker ben ik daar al vrijwel veertig jaar mee bezig. Het lijkt steeds weer op vechten tegen de bierkaai, die strijd tegen het "Weg met ons"... En toch. Even kan ik het niet laten het beroemde Duitse lied - ook gezongen in een "verdachte" tijd...- aan te halen: "Wenn alle untreu werden,/ So bleiben wir doch treu..." Die eerste verzen vloeiden op het einde van de 18de eeuw uit de pen van de jong gestorven, magisch-romantische dichter Novalis (1772-1801). Maar die verzen richtte de bevlogen dichter wel niet tot het Duitse vaderland, maar tot Jezus Christus...: "So bleib' ich Dir doch treu". Die geest van trouw en volharding vind je wel terug in een recent gedicht, dat ik in de zomer van 2006 schreef en nog niet heb gepubliceerd. Hier volgt het:

De laatsten
-------------------
("De weinigen en ik, wij blijven aan dezen kant"
Wies Moens)

Een warreboel van waan en schijn vergiftigt 't Westen
en spaart natuur noch kunst noch adel van de geest.
De laatste Mohikanen trekken 't zwaard uit de gevesten
om te vrijwaren de restanten van wat ooit geweest

aan liefde, trouw en schoonheid, ziel van 't Avondland.
Atlantis is vergaan, ook Hellas, Rome en de Lage Landen.
Die droegen kunstenaars en ware leiders op de handen
en steeds was volkse aard het duurzaam onderpand.

Niets dan de vlam van onze harten en het wekkend woord
bleven ons, weinigen, gespaard. Wij heffen hart en handen
voor 't heil der Nederlanden, als dansers op de koord
van 't allerlaatst geloof in weer een kleine schaar.

Erik Verstraete

Dit gedicht ligt nog in mijn poëziemap en wacht op publicatie. En er zijn er andere, recentere die nog niet zijn gepubliceerd. In mijn poëzierubriek in het tijdschrift van IJzerwake zullen ze wel eens opduiken. Ondertussen wil ik bij mijn blog-lezers mijn jongste dichtbundel nog eens aanbevelen. "Gebleven is de Adel" (Gedichten 1982-2004), ingeleid door de grote dichteres Aleidis Dierick en beschreven als "Liederen van weemoed en woede". Deze bundel werd op zeer stijlvolle en harmonische manier uitgegeven door de Antwerpse "Werkgroep Kultuur en Wetenschap" (WKW) van kunsthistoricus, architect en estheet Dominique Baston. Niet enkel voor poëzieliefhebbers - ook voor de Dietse nationalisten onder hen! - dus, maar ook voor bibliofielen. De dichtbundel werd heel fraai verlucht met vier houtsneden van de Waaslandse graficus Wim De Cock (Belsele). Mijn boek is niet te verkrijgen in de boekhandel, want mijn "niet reguliere" uitgever is niet "erkend" (!) door de "Stichting Lezen" en gebruikt de gebruikelijke, commerciële kanalen niet... Je kan het boek dus, in overeenstemming met mijn uitgever, bij mij bestellen. Wie dat wenst dient 20 euro te storten op bankrekening 035-1910 089 - 06 van Erik Verstraete (Jos Ratinckxstraat 17, 2600 Berchem (Antwerpen)), tel. 03-448.41.09. Wie een opdracht en en handtekening wenst, kan me dit ook melden. Wie de dichter zelf zijn gedichten (uit deze bundel én ongepubliceerde) wil horen voordragen en toelichten, raad ik aan om de voordrachtavond bij te wonen van de culturele (Bel)-Ex Libriskring in Taverne Rochus, Sint-Rochusstraat te Deurne-Zuid (tussen Boekenberglei en Herentalsebaan), op woensdag 2 april e.k., om 21 u. Iedereen is welkom in het achterzaaltje van deze grote en populaire "taveerne", al vanaf 19.30 u. Ikzelf breng mijn gedichten, samen met de Antwerpse dichter Guy Van Hoof, die ook eigen poëzie voorleest. Ik verwacht nu ook eens "dichterlijke" nationalisten... Zo een beetje van het genre van mijn fameuze vriend-blogger, Björn Roose! Tot dan!

dinsdag 5 februari 2008

Lichtmis luidde de sprokkelmaand in


Het nieuwe gedicht hieronder bezorg ik wat laat, maar de verre en diepe hoop op het ontluiken der natuur en het wijken van de winter stralen door heel deze "sprokkelmaand", zoals de oude Nederlandse volksnaam voor februari luidt. Dat verwijst naar het - vroegere - sprokkelen van hout, als de winterkoude voortduurt. Lichtmis is het feest van licht en hoop, van hunkering naar blijdschap om het groeiende, lentelijke licht. Als volkse nationalisten blijven we hunkeren en ook daadwerkelijk streven, in woord en daad, naar de uiteindelijk bevrijding van de duistere onheilsstaat die ons blijft hinderen en op de zenuwen werken. Er zal pas een waarachtig licht over onze "samenleving" stralen, als we het "dodenhulsel" van afwerpen en opgenomen worden in een Dietse volksstaat!

Lichtmis
-------------
De mist van januari legt zich neer
en ligt, gespreid en kil over de velden.
't Is Lichtmis nu en lichte mist keert weer
om, koud en stil, de sprokkelmaand te melden.

De Moeder Gods verlaat, met een licht wenden
en 't Kindje op haar borst, het stille huis,
dat ademt door de Geest van Licht en Lente
die komen gaat, als 't water bruist
door dooiend dal en waterval.

Krokus en blanke sneeuwklok gaan ontluiken
bij d' eerste voorjaarszoen, die op ons hart
een afdruk laat als rijm op tere struiken.
We zijn in winters hardheid nog verward

en kunnen lentes wonder nog niet vatten
dat ons in licht en geur beroeren wil
en 't vroege groene waas laat spatten
zover ons oog kan reiken. Tot een gril

van oud verlangen ons hart toch weer
bekoort, ontdooit en ons laat zingen
van liefde en lust, niet te bedwingen:
Gods grootheid trilt in 't kleine Kind
en legt Zijn liefde in ons neer.

Erik Verstraete

2-4 sprokkelmaand 2008
Borms Van Severen Van Wilderode Verschaeve Dietsland